Uitspraak 200500336/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:27
- Datum uitspraak
- 25 februari 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis (hierna: het college) een verzoek van verzoekers om handhavend tegen een carport (hierna: de carport) en een verhoging van een erfafscheiding op het perceel [locatie] te [plaats] op te treden afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200500336/2.
Datum uitspraak: 25 februari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2004 in het geding tussen:
verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis (hierna: het college) een verzoek van verzoekers om handhavend tegen een carport (hierna: de carport) en een verhoging van een erfafscheiding op het perceel [locatie] te [plaats] op te treden afgewezen.
Bij besluit van 29 januari 2004 heeft het college naar aanleiding van het door verzoekers daartegen gemaakte bezwaar, voorzover thans van belang, opnieuw besloten dat niet zal worden overgegaan tot het verzochte handhavend optreden.
Bij uitspraak van 2 december 2004, verzonden op 3 december 2004, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door verzoekers ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2005, hoger beroep ingesteld. Voorts hebben zij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 februari 2005, waar verzoekers in persoon, bijgestaan door mr. E.M. Richel, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.M. van den Brand, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De gevraagde voorziening, te weten de opdracht aan het college om handhavend op te treden, zonder het door de rechtbank voorgeschreven onderzoek naar de vraag of uitzicht op legalisatie van de carport bestaat, komt niet voor toewijzing in aanmerking, reeds omdat de rechtbank naar voorlopig oordeel op goede gronden tot een juist oordeel is gekomen en op voorhand niet valt aan te nemen dat de Afdeling de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure niet in stand zal laten.
Onder die omstandigheden dient het verzoek te worden afgewezen.
2.2. Het college heeft overigens ter zitting desgevraagd verklaard dat de te nemen nieuwe beslissing op het bezwaarschrift op korte termijn valt te verwachten en dat de beslissing op de inmiddels ingediende aanvraag tot verlening van bouwvergunning ten behoeve van de carport daarvoor niet zal worden afgewacht.
Een zodanig nieuw besluit zal van rechtswege bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Sluiter
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2005
292.