Uitspraak 200405865/1


Volledige tekst

200405865/1.
Datum uitspraak: 15 december 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] gevestigd te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe het wijzigingsplan "Buitengebied Westerbork; Scharreveld-Holtherstraat" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 mei 2004, kenmerk RW/A1/2004002943, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brieven van 15 en 20 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15, respectievelijk 20 juli 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 augustus 2004.

Bij brief van 22 september 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2004, waar appellanten, bij monde van [een der appellanten], en verweerder, vertegenwoordigd door E. Saathof, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door ir. H.J. Heusinkveld, ambtenaar van de gemeente, en Stichting Het Drentse Landschap, vertegenwoordigd door mr. drs. M.S. Beerten, advocaat te Assen, en ing. M.H. Buruma, gemachtigde, bijgestaan door ing. H.E. ter Horst, hydroloog bij het Waterschap Reest en Wieden te Meppel.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet voor een aantal percelen gelegen te Eursinge en Bruntinge, tussen de weg Scharreveld en de Holtherstraat, alsmede voor een perceel ten noorden van de weg Scharreveld te Eursinge, in een bestemmingswijziging ten behoeve van de realisering van natuur- en landschapswaarden binnen het natuurontwikkelingsproject “Het Scharreveld”. Het project wordt uitgevoerd in opdracht van de eigenaar van de betrokken percelen de Stichting Het Drentse Landschap (verder te noemen: de Stichting). Bij het bestreden besluit heeft verweerder het wijzigingsplan goedgekeurd.

2.3. Appellanten exploiteren een agrarisch bedrijf in de nabijheid van het plangebied. Zij stellen in beroep dat verweerder het wijzigingsplan ten onrechte heeft goedgekeurd. Zij voeren aan dat geen toepassing had mogen worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid, omdat de desbetreffende percelen nog in gebruik zijn voor agrarische doeleinden. Appellanten leiden dit af uit de omstandigheid dat op deze gronden nog koeien weiden. Voorts stellen zij zich op het standpunt dat met hun agrarische bedrijfsbelangen onvoldoende rekening is gehouden. In dit verband hebben zij naar voren gebracht dat het plan zal leiden tot vernatting van hun aangrenzende agrarische percelen. Tevens vrezen zij overlast door onkruid op deze gronden. Daarnaast wijzen zij er op dat het nieuwe natuurgebied op minder dan 250 meter afstand van hun bedrijf komt te liggen. Zij vrezen dat dit gebied in de toekomst zal worden aangemerkt als verzuringsgevoelig gebied, hetgeen hen belemmert in de uitbreidingsmogelijkheden van hun bedrijf.

2.4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het plan voldoet aan de in het bestemmingsplan “Buitengebied” (hierna: het bestemmingsplan) neergelegde wijzigingsvoorwaarden. Voorts is hij van mening dat het plan geen nadelige effecten op de omliggende agrarische gronden zal hebben en dat de belangen van de agrariërs in de omgeving in voldoende mate zijn meegewogen. Tevens stemt hij in met de weerlegging door het college van burgemeester en wethouders van de ingebrachte zienswijzen.

2.5. Niet in geschil is dat als gevolg van een administratieve fout het wijzigingsplan niet alle voor de ontwikkeling van het natuurgebied benodigde gronden omvat. Het plan maakt echter verwezenlijking van de ter zitting als zodanig aangeduide minimale variant planologisch mogelijk.

2.6. Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 15, tiende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan.

Ingevolge deze bepaling kan het college van burgemeester en wethouders, indien is voldaan aan een aantal voorwaarden, overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de bestemming “Groote Veld en Scharreveld” wijzigen ten behoeve van de realisering van natuur- en landschapswaarden.

De Afdeling deelt niet het standpunt van appellanten dat van de wijzigingsbepaling geen gebruik had mogen worden gemaakt, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat eerst het agrarische gebruik van de betreffende gronden moet zijn beëindigd. Naar het oordeel van de Afdeling brengt een redelijke uitleg van deze voorwaarde met zich dat met “het agrarische gebruik” is bedoeld het op agrarische productie gerichte gebruik. Ter zitting is van de zijde van de Stichting verklaard dat na verwerving van de desbetreffende percelen in 1997 en 1998, de gronden aan het landbouwkundig gebruik zijn onttrokken en sindsdien als extensief grasland worden beheerd. Een dergelijk beheer, dat beweiding niet uitsluit, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden aangemerkt als op agrarische productie gericht gebruik, zodat de omstandigheid dat op deze gronden thans nog koeien weiden niet aan toepassing van de wijzigingsbepaling in de weg staat.

Voorts is niet gesteld of gebleken dat niet aan de overige in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan.

2.7. De Afdeling overweegt dat met het bestaan van de door verweerder goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven mag worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gegeven voorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van verweerder onverlet om in de besluitvorming omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan na te gaan of uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

2.8. Wat betreft de vrees voor vernatting, wordt in het door de Stichting opgestelde landschaps- en inrichtingsplan van 19 december 2003 geconcludeerd dat geen nadelige effecten op de aangrenzende gronden zullen optreden. Daarbij is onder meer in aanmerking genomen de aanpassing in 2002 door het Waterschap Reest en Wieden (hierna: het Waterschap) van de bij het Waterschap in beheer zijnde watergangen, waardoor de landbouwgronden een van het natuurgebied onafhankelijke waterhuishouding hebben gekregen. Tevens zullen volgens het landschaps- en inrichtingsplan de sloten tussen het nieuwe natuurgebied en de landbouwgronden afgestemd blijven op landbouwkundig peil.

Ter zitting heeft de door de Stichting meegebrachte deskundige ing. H.E. ter Horst, hydroloog bij het Waterschap, het voorgaande aan de hand van kaarten en modellen nader toegelicht en verklaard dat er geen sprake zal zijn van ernstige vernatting van de gronden van appellanten.

Voorzover appellanten hebben aangevoerd dat zich tussen hun perceel dat op de kadastrale kaart is aangeduid met nummer 604 en de gronden van de Stichting geen sloot bevindt, heeft de Stichting ter zitting de bereidheid uitgesproken, zo appellanten dat wensen, op haar kosten een sloot te laten graven. Dat deze sloot geheel op de gronden van de Stichting dient te liggen, zoals appellanten ter zitting hebben betoogd, kan hierbij thans buiten bespreking blijven, omdat vooralsnog het graven van de bedoelde sloot niet aan de orde is. Immers, als gevolg van de eerder vermelde administratieve vergissing kan een strook van ongeveer 75 meter breed behorend tot de gronden van de Stichting en grenzend aan genoemd perceel van appellanten vooralsnog niet als natuurgebied worden ingericht, waardoor deze strook als bufferzone zal kunnen fungeren.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling er niet van overtuigd geraakt dat zich een ernstige mate van vernatting van de aangrenzende landbouwgronden van appellanten zal voordoen.

2.9. Voorts hebben appellanten hun bezwaar dat het wijzigingsplan zal leiden tot overlast door onkruid niet nader onderbouwd.

2.10. Wat betreft de vrees van appellanten dat het nieuwe natuurgebied in de toekomst zal worden aangemerkt als verzuringsgevoelig gebied, heeft verweerder ter zitting terecht naar voren gebracht dat de ammoniakregelgeving niet geldt voor natuurgebieden die na 1 mei 1988 zijn aangelegd of begrensd. Nu blijkens de stukken de begrenzing van het natuurontwikkelingsproject Scharreveld in 1995 heeft plaatsgevonden, komt de Afdeling het standpunt van verweerder dat het wijzigingsplan wat betreft de van toepassing zijnde ammoniakregelgeving geen gevolgen heeft voor de agrarische bedrijfsvoering van appellanten niet onjuist voor.

Overigens merkt de Afdeling op dat, indien het nieuwe natuurgebied wel als kwetsbaar gebied in de zin van de Wet ammoniak en veehouderij zou moeten worden aangemerkt, aan de afstandsnorm uit deze wet wordt voldaan, gelet op de afstand van het bedrijf van appellanten tot de grens van het plangebied. Voorzover appellanten hebben gewezen op de mogelijkheid dat in de toekomst de genoemde strook van ongeveer 75 meter bij het natuurgebied zal worden betrokken en als zodanig zal worden ingericht, overweegt de Afdeling dat daarvoor eerst een nieuw wijzigingsplan zal moeten worden vastgesteld en door verweerder zal moeten worden goedgekeurd.

2.11. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van het bedrijf van appellanten betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.12. Gelet op het voorgaande heeft verweerder bij afweging van de belangen in redelijkheid geen zwaarder gewicht behoeven toe te kennen aan de belangen van appellanten dan aan de belangen die met de verwezenlijking van het natuurontwikkelingsproject zijn gemoeid.

2.13. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van Dorst
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2004

357