Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200404956/1

Uitspraak 200404956/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AR7078
Datum uitspraak
8 december 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 9 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede (hierna: het college) een parkeerverbodzone ingesteld in het "Peppelensteeggebied" en deze parkeerverbodzone bekrachtigd door plaatsing van de borden E4 (lees: E10), zonaal, waarbij het parkeren slechts is toegestaan in de daartoe aangewezen vakken volgens tekening.
  • Hoger beroep
  • Verordeningen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200404956/1.
Datum uitspraak: 8 december 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. Initiatief Vereniging Peppelensteeg, gevestigd te Ede,
2. [appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 mei 2004 in het geding tussen:

Belangenvereniging Levendaal e.o., gevestigd te Ede, Initiatiefgroep Peppelensteeg, gevestigd te Ede en appellante sub 2

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede (hierna: het college) een parkeerverbodzone ingesteld in het "Peppelensteeggebied" en deze parkeerverbodzone bekrachtigd door plaatsing van de borden E4 (lees: E10), zonaal, waarbij het parkeren slechts is toegestaan in de daartoe aangewezen vakken volgens tekening.

Bij besluit van 11 augustus 2003 heeft het college het daartegen door de Initiatiefgroep Peppelensteeg gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het door appellante sub 2 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 mei 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het daartegen door de Initiatiefgroep Peppelensteeg ingestelde beroep ongegrond verklaard, het door appellante sub 2 ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, voorzover daarbij de bezwaren van appellante sub 2 ongegrond zijn verklaard, appellante sub 2 niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaren en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden beslissing op bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 augustus 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2004, waar appellante sub 2 in persoon is verschenen en appellante sub 1 door haar is vertegenwoordigd. Het college werd ter zitting vertegenwoordigd door J. Verstand en M.A.T.M. van den Boomen, werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, kan geen hoger beroep worden ingesteld door een belanghebbende, aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.

2.2. Gelet op de stukken is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat niet appellante sub 1, maar de Initiatiefgroep Peppelensteeg beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Nu niet is gebleken dat appellante sub 1 redelijkerwijs niet in staat is geweest beroep in te stellen, is haar hoger beroep ingevolge artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, niet-ontvankelijk.

2.3. De rechtbank heeft ten aanzien van het beroep van appellante sub 2 geoordeeld dat zij geen belanghebbende is bij het besluit van 9 oktober 2002 en dat het college haar derhalve ten onrechte heeft ontvangen in haar bezwaren.

2.3.1. Met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende is een zekere begrenzing beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. Dat geldt ook voor besluiten van algemene strekking, waarbij de belangen van (zeer) velen kunnen zijn betrokken. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest beroep open te stellen voor een ieder. Bij verkeersbesluiten als het onderhavige dient dan ook van geval tot geval te worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij een dergelijk besluit zijn betrokken. Uit de vaste jurisprudentie van de Afdeling inzake verkeersbesluiten, waaronder de uitspraak van 3 juli 1998 in zaak no. HO1.97.0795 (AB 1998/332), volgt dat degene die bezwaar wil maken tegen dergelijke besluiten, een bijzonder, individueel belang moet hebben, waarin hij zich in voldoende mate onderscheidt van andere weggebruikers.

Aangezien appellante sub 2 niet woont in de directe nabijheid van het “Peppelensteeggebied” en niet anders dan vele anderen gebruik maakt van de wegen aldaar, kan hieruit niet een bijzonder individueel belang worden afgeleid. Ook voor het overige zijn er geen omstandigheden gebleken die tot het oordeel hadden moeten leiden dat appellante sub 2 zich in voldoende mate van de belangen van andere weggebruikers onderscheidt.

Met de rechtbank is de Afdeling derhalve van oordeel dat appellante sub 2 niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt bij het besluit van 9 oktober 2002. Hetgeen appellante sub 2 voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking.

2.4. Het hoger beroep van appellante sub 2 is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van appellante sub 1 niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2004

91-419.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon