Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200404667/1 en 200404667/2

Uitspraak 200404667/1 en 200404667/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AQ5987
Datum uitspraak
28 juli 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 25 mei 2004, kenmerk 5026, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [ vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het kweken, verwerken en verkopen van vis en het exploiteren van recreatieve hengelvijvers op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […] en sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 2 juni 2004 ter inzage gelegd.
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Milieu - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200404667/1 en 200404667/2.
Datum uitspraak: 28 juli 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Elburg,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2004, kenmerk 5026, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [ vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het kweken, verwerken en verkopen van vis en het exploiteren van recreatieve hengelvijvers op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […] en sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 2 juni 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 4 juni 2000 (lees: 4 juni 2004), bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 2004, beroep ingesteld.
Bij eerstgenoemde brief hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2004, waar appellanten, in de persoon van [drie van de appellanten], en verweerder, vertegenwoordigd door W.J. Grijsen en R. Schipper, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts zijn namens vergunninghoudster [gemachtigden] daar gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten hebben de gronden inzake het hoge waterverbruik in de inrichting en de vrees voor overlast vanwege de op te richten windmolens niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Weliswaar hebben zij gedurende de termijn voor het inbrengen van bedenkingen verweerder gewezen op de omstandigheid dat vergunninghoudster twaalf jaar geleden twee windmolens heeft verwijderd, maar deze passage bevat geen bedenkingen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kunnen worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Appellanten stellen dat in de avondperiode meer vrachtwagens van en naar de inrichting rijden dan is aangevraagd. De Voorzitter overweegt dat uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat verweerder moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Dat de feitelijke situatie afwijkt van hetgeen is aangevraagd, doet daaraan niet af. Deze beroepsgrond faalt.

Appellanten vrezen daarnaast dat de aan de vergunning verbonden voorschriften ten aanzien van de bovengrondse olietank niet worden nageleefd. Verder verwachten zij dat verweerder de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zal handhaven. Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kunnen om die reden niet slagen.

De Voorzitter merkt op dat indien de bedrijfsvoering afwijkt van hetgeen is vergund of de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd, de Algemene wet bestuursrecht voorziet in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving. Tegen dergelijke besluiten van het bevoegde gezag kan in rechte worden opgekomen.

2.3. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.4. Gelet op het vorengaande wijst de Voorzitter het verzoek om een voorlopige voorziening af.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voorzover het betreft de gronden inzake het hoge waterverbruik en de overlast van windmolens;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

III. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Driel
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2004

414.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon