Uitspraak 200402955/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AP8093
- Datum uitspraak
- 1 juli 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) een verzoek van verzoekster om het perceel [locatie] te Groningen (hierna: het perceel) te mogen gebruiken ten behoeve van detailhandel in meubels afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
200402955/2.
Datum uitspraak: 1 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van onder meer:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 maart 2004 in het geding tussen:
verzoekster e.a.
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) een verzoek van verzoekster om het perceel [locatie] te Groningen (hierna: het perceel) te mogen gebruiken ten behoeve van detailhandel in meubels afgewezen.
Bij besluit van 28 maart 2002 heeft het college verzoekster e.a. onder oplegging van een dwangsom preventief gelast op het perceel geen detailhandelsactiviteiten in meubels te laten plaatsvinden.
Bij besluit van 7 maart 2003 heeft het college de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 maart 2004, verzonden op 18 maart 2004, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief van 8 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 8 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 juni 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Knoop en mr. P.J. van de Sande, onderscheidenlijk advocaat te Groningen en ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Verzoekster verzoekt de Voorzitter om bij wijze van voorlopige voorziening het besluit tot oplegging van de last te schorsen.
2.2. In het bestemmingsplan “Hoendiep” is aan het perceel de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” toegekend. In artikel 5, aanhef en onder b, van de planvoorschriften is bepaald dat de op de plankaart voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor detailhandel in woninginrichting voor zover de gronden zijn voorzien van de nadere aanduiding “detailhandel in woninginrichting toegestaan”. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat deze bepaling in strijd is met artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en om die reden buiten toepassing moet worden gelaten. Dit betekent volgens de rechtbank dat – kort weergegeven - de beslissing om detailhandel ter plaatse niet toe te staan en de opgelegde last een deugdelijke grondslag ontberen.
2.3. Partijen zijn primair verdeeld over het antwoord op de vraag of het oordeel van de rechtbank over voormelde bepaling juist is. De onderhavige procedure leent zich niet voor beantwoording van deze vraag. Dit dient in de bodemprocedure te geschieden.
2.4. Voorshands bestaat niet voldoende zekerheid dat detailhandel in meubels in het pand [locatie] uiteindelijk zal zijn toegestaan. Onder deze omstandigheid dient het belang van het college om mede met het oog op het voorkomen van precedentwerking geen naar zijn opvatting en die van de raad als planwetgever uit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste activiteit ter plaatse te dulden te prevaleren boven het uitsluitend financiële belang van verzoekster reeds thans met die activiteit te starten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het pand door verzoekster ook kan worden gebruikt en – naar uit de stukken valt op te maken – in het verleden ook daadwerkelijk is gebruikt voor andere activiteiten. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening moet derhalve worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Boer
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2004
201.