Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200307192/1

Uitspraak 200307192/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AP4645
Datum uitspraak
30 juni 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 7 juli 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) aan de commanditaire vennootschap "Twin Sport C.V." (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning verleend voor het inrichten van een gedeelte van een bedrijfsgebouw tot winkel en showroom aan de Lammenschansweg 130 te Leiden (hierna: het perceel).
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200307192/1.
Datum uitspraak: 30 juni 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], alle (mede) gevestigd te Leiden,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 september 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) aan de commanditaire vennootschap "Twin Sport C.V." (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning verleend voor het inrichten van een gedeelte van een bedrijfsgebouw tot winkel en showroom aan de Lammenschansweg 130 te Leiden (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 juli 2002, verzonden 7 augustus 2003, heeft het college het besluit van 7 juli 2000 gedeeltelijk herzien, in die zin dat de voorwaarde waaronder de vrijstelling is verleend - dat aan dat besluit het voorschrift wordt verbonden dat maximaal 20% van de totale oppervlakte mag worden gebruikt ten behoeve van de verkoop van kleinschalige artikelen – alsnog tot uitdrukking wordt gebracht in een aan de vrijstelling verbonden voorschrift met bijbehorende inrichtingstekening, waarbij is aangegeven welke onderdelen van de ruimte onder de ten behoeve van het assortiment kleinschalige goederen bestemde oppervlakte worden gebracht, en de door appellanten gemaakte bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 september 2003, verzonden op 16 september 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 27 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 28 november 2003 en 4 december 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 januari 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 12 februari 2004 heeft vergunninghoudster een reactie op het hoger beroep ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. A.R.M. van der Pluijm, advocaat te Leiden, en P.B.H. Nijssen, en het college, vertegenwoordigd door L.W.C. Lamers en mr. L.G.H. Ummels, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. P.D. van der Kooi, advocaat te Leiden.

2. Overwegingen

2.1. De aanvraag van vergunninghoudster heeft betrekking op het inrichten van een gedeelte van een bedrijfsgebouw van ongeveer 1479 m2 tot winkel en showroom ten behoeve van detailhandel in sportartikelen. Circa 1000 m2 (67,6%) van de bedrijfsruimte is daarbij bestemd voor de verkoop van grootschalige artikelen en testruimtes (Try and Buy) en circa 254 m2 (17,2%) voor de verkoop van kleinschalige artikelen. De aanvraag ziet in zoverre op een wijziging van het gebruik van het gebouw. Daarnaast ziet de aanvraag op het inrichten van een oppervlakte van circa 225 m2 (15,2%) van de bedrijfsruimte als kantoor, kantine en voorraadruimte, waarvoor enige bouwactiviteiten zijn vereist.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Leiden-Cronesteinsepolder 1961”, is het perceel bestemd voor “Industrieterrein A”.

Ingevolge artikel 22, onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden bestemd voor “Industrieterrein A” uitsluitend bestemd voor bouwwerken voor industrie en nijverheid, zoals fabrieken, werkplaatsen, pakhuizen, magazijnen, en met één of meer der genoemde gebouwen één geheel vormende kantoorgebouwen.

Vaststaat dat het beoogde gebruik ten behoeve van detailhandel in sportartikelen in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Voor dit gebruik heeft het college met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro) vrijstelling verleend.

2.3. Het betoog van appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college die vrijstelling kon verlenen, faalt. Terecht en op goede gronden heeft de rechtbank overwogen dat de in de Nota van Toelichting bij het Besluit van 15 oktober 1999 tot wijziging van het Bro gegeven opsomming van voorbeelden van verschillende vormen van detailhandel die buiten winkelgebieden kunnen worden toegestaan, niet limitatief is en dat daarom de vestiging van een sportdetailhandel die zich richt op de verkoop van volumineuze sportartikelen buiten een winkelgebied niet is uitgesloten. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat niet is gebleken dat de sportzaak van vergunninghoudster niet voldoet aan de door het college gestelde eis ter waarborging van het grootschalige karakter daarvan dat maximaal 20% van de oppervlakte van de bedrijfsruimte mag worden benut voor kleinschalige goederen. In het door het Bureau BRO (Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu te Vught) in opdracht van het college uitgebrachte rapport is geconcludeerd dat indien maximaal 20% van het vloeroppervlak wordt gebruikt voor de verkoop van kleinschalige goederen, dit niet zal leiden tot structurele verstoring van de branche of de verzorgingsstructuur binnen de branche in Leiden. In hetgeen appellanten in hoger beroep over dit rapport naar voren hebben gebracht, is geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college op de conclusies van dat rapport heeft mogen afgaan. Dat de vestiging van de sportzaak van vergunninghoudster tot een duurzame ontwrichting van het winkelaanbod in sportartikelen in Leiden zal leiden, is door appellanten ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat niet kan worden staande gehouden dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het verlenen van vrijstelling heeft kunnen besluiten.

2.4. In verband met de stelling van appellanten dat de vrijstelling en de bouwvergunning zijn verleend in strijd met artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro, overweegt de Afdeling als volgt. Voor zover bouwvergunning is verleend voor de in de aanvraag vermelde bouwactiviteiten geldt dat, zoals de Afdeling onder meer in haar uitspraak van 20 november 2002, inzake no. 200201687/1, heeft overwogen, de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO en artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro niet kan worden aangewend voor het verlenen van een bouwvergunning voor het oprichten van bebouwing waarvan het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Onder het oprichten van bebouwing dient, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2003, inzake 200303419/1 (www.raadvanstate.nl), mede te worden verstaan een verbouwing van een bestaand gebouw. Het college heeft de verleende bouwvergunning derhalve in strijd met artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet in stand gelaten.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 15 juli 2002 voorzover dat strekt tot handhaving van de verleende bouwvergunning ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep in zoverre alsnog gegrond verklaren en het besluit van 15 juli 2002 vernietigen voorzover daarbij de verleende bouwvergunning is gehandhaafd. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 september 2003, AWB 02/3355 BSTPL, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 15 juli 2002, kenmerk 19897, voor zover dat strekt tot handhaving van de verleende bouwvergunning, ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het onder II vermelde besluit van 15 juli 2002 voor zover bij dat besluit de verleende bouwvergunning is gehandhaafd;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Leiden in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Leiden te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de gemeente Leiden aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 232,00 +€ 348,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. J.G. Treffers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Roelfsema
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004

58-439.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon