Uitspraak 200403689/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AP4699
- Datum uitspraak
- 21 juni 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 4 augustus 2003 heeft verweerder het verzoek van 10 juli 2003 van verzoekster krachtens artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de houthandel van de [vergunninghouder], gelegen aan de [locatie] te [plaats].
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200403689/2.
Datum uitspraak: 21 juni 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de stichting "Stichting Sociale Databank Nederland", gevestigd te Arnhem,
verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van Sint Oedenrode,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 augustus 2003 heeft verweerder het verzoek van 10 juli 2003 van verzoekster krachtens artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de houthandel van de [vergunninghouder], gelegen aan de [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 16 maart 2003 (lees: 2004), verzonden op 24 maart 2004, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 4 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2004, beroep ingesteld.
Bij brief van 4 mei 2004, eveneens bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 juni 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door ing. A.M.L. van Rooij en R.M. Brockhus, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Els, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster daar gehoord, vertegenwoordigd door drs. F.C.H. Kastelijn, gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Verzoekster is van mening dat verweerder haar verzoek om handhaving ten onrechte heeft afgewezen. Zij staat op het standpunt dat op het moment van het nemen van het bestreden besluit de milieuvergunning uit 1989 voor de inrichting geldig was. Deze vergunning voorziet niet in de bouw van een grote opslagruimte, zodat vergunninghoudster op 7 juli 2003 zonder een daarvoor vereiste milieuvergunning is begonnen met de bouw daarvan, aldus verzoekster.
2.3. Verweerder heeft het verzoek om handhaving afgewezen, omdat hij, in tegenstelling tot verzoekster, van mening is dat de onderhavige inrichting – inclusief de gemelde verandering – onder de werking van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) valt en geen vergunning krachtens de Wet milieubeheer is vereist. Gelet hierop bestaat er volgens verweerder geen reden om handhavend op te treden.
2.4. Gelijk is overwogen in de uitspraak van 28 oktober 2003, no. 200306119/1 op het eerdere verzoek van verzoekster om voorlopige voorziening van 14 september 2003 ten aanzien van het besluit van 4 augustus 2003, is naar het oordeel van de Voorzitter in het onderhavige geval sprake van een inrichting die in hoofdzaak is bestemd voor het vervaardigen, bewerken, verwerken of opslaan van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit. Verder is niet gebleken dat het een geval betreft zoals bedoeld in artikel 3 van het Besluit. Verzoekster heeft naar het oordeel van de Voorzitter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat voor de uitbreiding van de inrichting met een opslagloods voor hout een milieuvergunning is vereist. Gelet hierop ziet hij geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
2.5. De Voorzitter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.I. van Koten, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll w.g. Van Koten
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2004
324.