Uitspraak 200305385/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AP1089
- Datum uitspraak
- 9 juni 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 juli 2003 heeft verweerder (hierna: de Staatssecretaris), voorzover thans van belang, goedgekeurd het besluit van Provinciale Staten van de provincie Limburg van 13 december 2002 tot: I. opheffing van de waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas, en van het Zuiveringschap Limburg; II. intrekking van de reglementen van de waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas en van het Zuiveringschap Limburg; III. instelling van het Waterschap Peel en Maasvallei en van het Waterschap Roer en Overmaas; IV. vaststelling van de reglementen van de waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas, met uitzondering van de bepalingen, betrekking hebbend op de samenstelling van het algemeen bestuur; V. bepaling omtrent het tijdstip van inwerkingtreden van dit besluit, met uitzondering van de bepalingen onder IV genoemde reglementen die betrekking hebben op de samenstelling van het algemeen bestuur.
- Eerste aanleg - meervoudig
- Andere zaken - Overige
Toon inhoud
200305385/1.
Datum uitspraak: 9 juni 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. De Provinciale Statenfractie van GroenLinks-Limburg, gevestigd te Venlo,
2. GroenLinks-Limburg, gevestigd te Meersen en
3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],
appellanten,
en
de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2003 heeft verweerder (hierna: de Staatssecretaris), voorzover thans van belang, goedgekeurd het besluit van Provinciale Staten van de provincie Limburg van 13 december 2002 tot: I. opheffing van de waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas, en van het Zuiveringschap Limburg; II. intrekking van de reglementen van de waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas en van het Zuiveringschap Limburg; III. instelling van het Waterschap Peel en Maasvallei en van het Waterschap Roer en Overmaas; IV. vaststelling van de reglementen van de waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas, met uitzondering van de bepalingen, betrekking hebbend op de samenstelling van het algemeen bestuur; V. bepaling omtrent het tijdstip van inwerkingtreden van dit besluit, met uitzondering van de bepalingen onder IV genoemde reglementen die betrekking hebben op de samenstelling van het algemeen bestuur.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 29 oktober 2003 heeft de Staatssecretaris een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2004, waar de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag en mr. drs. E. van Schouten, ambtenaar bij het ministerie, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 5, derde lid, van de Waterschapswet kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling tegen een besluit van de Staatssecretaris inzake de goedkeuring van een besluit van provinciale staten tot opheffing van een waterschap of het wijzigen van de taak of het gebied van een waterschap.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Ingevolge het derde lid van dat artikel bepaling worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
2.2. Blijkens hun beroepschrift komen appellanten op tegen het goedkeuringsbesluit van de Staatssecretaris, omdat bij de totstandkoming van het besluit van Provinciale Staten van de provincie Limburg van 13 december 2002 sprake zou zijn geweest van belangenverstrengeling of de schijn daarvan. Het belang dat appellanten beogen te behartigen is het algemene belang van bestuurlijke integriteit en de vermijding van de schijn van partijdigheid. Dat de procedure van de totstandkoming van voormeld besluit van 13 december 2002 zich niet verdraagt met de inzichten van appellanten omtrent hetgeen het algemeen belang vordert, betekent niet dat het belang van appellanten rechtstreeks bij het goedkeuringsbesluit is betrokken. Ook overigens is niet gebleken van belangen van appellanten die rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken. Zij kunnen dan ook niet worden aangemerkt als belanghebbenden ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Appellanten sub 1 en sub 2 kunnen evenmin als belanghebbenden ingevolge het derde lid van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt, reeds omdat zij geen rechtspersoonlijkheid bezitten.
2.3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Dallinga
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2004
18-362.