Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200306328/1

Uitspraak 200306328/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AP1108
Datum uitspraak
9 juni 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 december 2002 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Hunze en Aa's (hierna: het dagelijks bestuur) appellant aangeschreven, onder aanzegging van bestuursdwang, ten aanzien van de bij hem in onderhoud zijnde watergang (hierna: de watergang), gelegen achter zijn percelen, kadastraal bekend [plaats], sectie […] nrs. […], (hierna: de percelen) te voldoen aan zijn onderhoudsplicht.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200306328/1.
Datum uitspraak: 9 juni 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 11 augustus 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Hunze en Aa's.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2002 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Hunze en Aa's (hierna: het dagelijks bestuur) appellant aangeschreven, onder aanzegging van bestuursdwang, ten aanzien van de bij hem in onderhoud zijnde watergang (hierna: de watergang), gelegen achter zijn percelen, kadastraal bekend [plaats], sectie […] nrs. […], (hierna: de percelen) te voldoen aan zijn onderhoudsplicht.

Bij besluit van 20 mei 2003 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 augustus 2003, verzonden op 12 augustus 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 december 2003 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het dagelijks bestuur. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2004, waar appellant in persoon en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door H.M. Nanninga en K. Heling, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Keur Waterschap Hunze en Aa’s (hierna: de Keur) zijn onderhoudsplichtig degenen die in de legger tot het plegen van gewoon en/of buitengewoon onderhoud aan de wateren zijn aangewezen.

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, van de Keur dragen de onderhoudsplichtigen van wateren zorg voor het vóór de door het dagelijks bestuur vooraf aangekondigde schouwdata maaien en verwijderen van begroeiingen anders dan die dienende tot verdediging van de taluds alsmede het tot op de bodem verwijderen van specie en verondiepingen, taludinzakkingen en andere obstakels die de wateraf- en aanvoer belemmeren alsmede het schonen van de duikers.

2.2. Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de bestuursdwangaanschrijving is genomen in strijd met artikel 5:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betoog faalt. In de bestuursdwangaanschrijving worden de hiervoor geciteerde artikelen vermeld.

2.3. Desgevraagd heeft appellant ter zitting verklaard niet meer te betwisten dat de watergang grenst aan zijn percelen. De voorzieningenrechter heeft dan ook met juistheid overwogen dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op appellant de onderhoudsplicht rust van de watergang. Overigens is appellant ook als onderhoudsplichtige terzake aangewezen in de betrokken legger.

2.4. Alleen in bijzondere gevallen kan een bestuursorgaan afzien van handhavend optreden tegen een illegale situatie.

2.5. Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat dit een bijzonder geval is, dat noopte tot het afzien van handhaving.

2.5.1. Dat betoog faalt. De stelling van appellant dat het geëiste onderhoud niet nodig is voor de waterafvoer in het betrokken gebied, omdat sprake is geweest van een demping van het zuidoostelijke gedeelte van de watergang, kan niet voor juist worden gehouden. De watergang watert, naar het bestuur onbestreden heeft gesteld, immers noord-west af. Evenmin leidt zijn beroep op het vertrouwensbeginsel tot een ander oordeel. Uit de omstandigheid dat het dagelijks bestuur hem de voorafgaande jaren niet heeft aangeschreven, kan niet worden afgeleid dat het dagelijks bestuur jarenlang heeft gedoogd dat appellant de watergang niet heeft onderhouden. Het dagelijks bestuur heeft in dat verband onweersproken aangegeven dat de watergang sedert 1995 op de schouwkaart is vermeld en jaarlijks in het kader van de najaarsschouw wordt gecontroleerd. Bij die controles is niet gebleken van noodzaak tot het aanschrijven de onderhoudsplicht uit te voeren. Of die plicht wellicht door anderen dan appellant is uitgevoerd, onttrekt zich aan de waarneming van het dagelijks bestuur.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Haan
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2004

27-424.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon