Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200402190/2

Uitspraak 200402190/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AO7991
Datum uitspraak
16 april 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 6 januari 2004, heeft verweerder aan verzoekers een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd ten aanzien van café/bar/disco “[naam inrichting]” op het perceel [locatie] te [plaats]. De dwangsom is vastgesteld op € 2.000,00 per overtreding per week dat niet aan de geluidnormen van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (verder: het Besluit) wordt voldaan. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 50.000,00.
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200402190/2.
Datum uitspraak: 16 april 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers] handelend onder de naam "[naam inrichting]", wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2004, heeft verweerder aan verzoekers een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd ten aanzien van café/bar/disco “[naam inrichting]” op het perceel [locatie] te [plaats]. De dwangsom is vastgesteld op € 2.000,00 per overtreding per week dat niet aan de geluidnormen van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (verder: het Besluit) wordt voldaan. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 50.000,00.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 11 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2004, beroep ingesteld.
Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 april 2004, waar verzoekers, waarvan [gemachtigde] in persoon, bijgestaan door J.A.L. van Engelen, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.C.J. van Puijenbroek, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verweerder stelt dat bij het in werking zijn van de inrichting tijdens zogenoemde disco-avonden de geluidvoorschriften uit de Bijlage behorende bij het Besluit zijn overtreden. Hij wijst hiertoe op het in zijn opdracht opgestelde akoestische rapport en op klachten van omwonenden.

2.3. Verzoekers stellen allereerst dat het door verweerder gehanteerde akoestische rapport gedateerd is en daarom niet de grondslag kan vormen voor de conclusie dat de geluidvoorschriften worden overschreden. Zij wijzen onder meer op de maatregelen die sinds het opstellen van het rapport in de inrichting zijn getroffen.

2.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. In opdracht van verweerder is door Van Dorsser raadgevende ingenieurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd betreffende vijf horeca-inrichtingen aan de Raadhuisstraat te Gilze, waaronder de inrichting van verzoekers. Ten behoeve van dit onderzoek zijn metingen verricht op 14 en 28 mei 1997. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 16 oktober 1998. In het rapport word een groot aantal maatregelen genoemd die volgens het rapport tezamen de geluidemissie van de inrichting zodanig zullen verminderen dat overschrijding van de geluidvoorschriften zal worden voorkomen. Sindsdien zijn door verweerder of in opdracht van verweerder geen metingen naar de geluidemissie van de inrichting van verzoekers meer verricht. Gezien de lengte van de periode tussen het uitvoeren van het onderzoek en het nemen van het bestreden besluit was dit echter wel aangewezen, mede gelet op het feit dat verzoekers aan verweerder kenbaar hadden gemaakt dat er in de inrichting maatregelen ter voorkoming van geluidoverlast waren getroffen, wat er van deze maatregelen verder ook zij. Het enkele voortbestaan van klachten is onvoldoende om aan te nemen dat de omstandigheden niet gewijzigd zullen zijn. Daarbij komt dat de door verweerder genoemde klachten niet in de eerste plaats zien op geluidoverlast veroorzaakt vanuit de inrichting van verzoekers. Reeds hierom komt de Voorzitter tot de conclusie dat verweerder in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaart bij de voorbereiding van het besluit en het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De Voorzitter acht het aannemelijk dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal houden.

2.5. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen van 6 januari 2004;

II. gelast dat de gemeente Gilze en Rijen aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. De Vink
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2004

154-314.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon