Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200305703/1

Uitspraak 200305703/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AO5232
Datum uitspraak
10 maart 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 27 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal (hierna: het college), onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het bouwen van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200305703/1.
Datum uitspraak: 10 maart 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 31 juli 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal (hierna: het college), onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het bouwen van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 mei 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, doch het besluit van 27 november 2001 in stand gelaten.

Bij besluit van 12 juni 2002 heeft het college vergunninghouder een gecorrigeerde bouwvergunning voor het uitbreiden van een woning doen toekomen. Het college heeft vergunninghouder daarbij medegedeeld dat de bouwvergunning van 27 november 2001, waarin abusievelijk vermeld staat dat vergunning is verleend voor het bouwen van een woning, hierbij komt te vervallen.

Bij uitspraak van 31 juli 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 8 mei 2002 door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven, bij de Raad van State onderscheidenlijk ingekomen op 1 oktober, 29 oktober en 17 november 2003 alsmede op 29 januari 2004, heeft appellant nadere stukken ingediend.

Bij brief van 15 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend. Bij brief van 30 oktober 2003 heeft het college nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 20 oktober 2003 heeft het college het besluit van 12 juni 2002 gewijzigd, in die zin dat in de vergunning alsnog de overwegingen hoe het college tot de bouwvergunning is gekomen, zijn vermeld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door H.G. Smit, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het besluit van 20 oktober 2003, dat het besluit van 12 juni 2002 vervangt, moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), zodat het hoger beroep ingevolge het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb geacht moet worden mede daartegen te zijn gericht.

2.2. Het bouwplan betreft een uitbouw aan de woning ten behoeve van sanitaire voorzieningen. Blijkens de stukken is het bouwwerk gesitueerd op een afstand van 0,42 m uit de zijdelingse perceelgrens, waarbij de afstand tot het gebouw op het naastgelegen perceel 1,44 m bedraagt.

2.3. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan “Uitbreidingsplan in hoofdzaak” de bestemming “woningbouw, categorie Q”.

Ingevolge artikel 2, onder d, van de bijgebouwenregeling die van toepassing is op het bestemmingsplan, voorzover hier van belang, wordt onder een bijgebouw verstaan: een vrijstaand of aangebouwd gebouw, dat een gebruikseenheid vormt met en dienstbaar is aan een hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder c, van de bijgebouwenregeling mag de afstand van de bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 1 meter bedragen, behoudens bij plaatsing op deze perceelgrens, met dien verstande, dat de afstand van de bijgebouwen tot de gebouwen op het naastgelegen bouwperceel tenminste 2 meter dient te bedragen, tenzij ze aaneengebouwd worden.

Ingevolge artikel 9, lid d, onder 2, van de planvoorschriften, moet de afstand van woningen tot de zijdelingse erfscheiding tenminste 2 m bedragen.

2.4. Omdat het bouwplan, naar niet in geschil is, in strijd is met het bestemmingsplan “Uitbreidingsplan in hoofdzaak”, heeft het college de aanvraag om bouwvergunning mede aangemerkt als een verzoek om vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO.

2.5. Bij het verlenen van die vrijstelling heeft het college de uitbouw aangemerkt als een bijgebouw. Gelet op de functie van die uitbouw en de bouwkundige verbondenheid van de uitbouw met het hoofdgebouw, kan echter niet worden gesproken van een bijgebouw, maar is sprake van een uitbreiding van de woning. Het college heeft ten onrechte aangenomen dat het bouwplan in overeenstemming is met het nieuwe “Bestemmingsplan Musselkanaal 2003”, nu het bouwplan gelet op de in de voorschriften van dat plan opgenomen omschrijving van het begrip “bijgebouw” ook krachtens dat plan als een uitbreiding van de woning moet worden aangemerkt en niet als een bijgebouw kan worden gezien. De uitbreiding voldoet niet aan de in de voorschriften van dat plan voorgeschreven afstand van een woning tot de zijdelingse perceelsgrens.

2.6. Uit het vorenstaande volgt derhalve dat de beslissing op bezwaar in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb een deugdelijke motivering ontbeert. De rechtbank heeft dit miskend.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 8 mei 2002 alsnog gegrond verklaren en dit besluit alsmede het besluit van 20 oktober 2003 vernietigen.

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 31 juli 2003, AWB 02/498 WW HOB;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal van 8 mei 2002 en 20 oktober 2003;

V. gelast dat de gemeente Stadskanaal aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht
(€ 109,00 en € 175,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van Roosmalen
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2004

58-406.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon