Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200300876/1

Uitspraak 200300876/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:22
Datum uitspraak
3 maart 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 mei 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een verzoek van [verzoeker] (hierna: de vreemdeling) om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200300876/1.
Datum uitspraak: 1 maart 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 december 2002 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een verzoek van [verzoeker] (hierna: de vreemdeling) om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 5 december 2001 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 december 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant (hierna: de minister) binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 februari 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 7 maart 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 april 2003 heeft de vreemdeling van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2004, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling, bijgestaan door mr. T.L. Tan, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Rijkswet) komen voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking verzoekers die tenminste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba, woonplaats of werkelijk verblijf hebben gehad.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet, voorzover thans van belang, geldt het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder c, niet met betrekking tot een verzoeker die sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van een Nederlander.

2.2. Blijkens de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999 (hierna: de Handleiding) behoort tot de categorie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet, voorzover thans van belang, degene die tenminste drie jaren onafgebroken getrouwd is en samenwoont met één-en-dezelfde Nederlander. Samenwoning kan worden aangetoond door het ingeschreven staan op eenzelfde adres.

2.3. De vreemdeling is op 25 december 1994 in Pakistan gehuwd met [partner], die de Nederlandse nationaliteit bezit. Hij heeft van september 1996 tot 9 juli 1999 met zijn echtgenote in Engeland gewoond. Op 12 juli 1999 heeft hij zich aangemeld bij de Vreemdelingendienst te Amsterdam, alwaar hij op 4 oktober 1999 een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf heeft ingediend, welke hem is verleend.

Op 3 maart 2000 heeft de vreemdeling zich ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: de GBA). Op 10 januari 2001 heeft hij het onderhavige verzoek ingediend.

2.4. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de vreemdeling heeft aangetoond dat hij gedurende de periode half juli 1999 tot 3 maart 2000 feitelijk en onafgebroken met zijn echtgenote heeft samengewoond.

2.5. De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling een afdoende verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij over de in geschil zijnde periode zo weinig stukken heeft overgelegd. Zij heeft voorts overwogen dat de staatssecretaris ter zitting onvoldoende heeft aangegeven of er indicaties zijn waaruit zou blijken dat de vreemdeling niet met zijn echtgenote heeft samengewoond. Zij acht tenslotte van doorslaggevende betekenis dat slechts een korte periode van zeveneneenhalve maand in geschil is.

2.6. In hoger beroep betoogt de minister, met verwijzing naar de Handleiding, dat het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat hij op het moment van de beslissing op zijn verzoek drie jaren onafgebroken heeft samengewoond met zijn echtgenote en dat het niet aan de minister is om contra-indicaties naar voren te brengen. In het bestreden besluit is aangegeven waarom de vreemdeling niet op basis van andere feiten of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat hij, ondanks dat hij niet stond ingeschreven in de GBA, wel heeft samengewoond gedurende de in geschil zijnde periode, aldus de minister. Voorts betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat slechts een korte periode in geschil is.

2.7. Het betoog treft doel. De rechtbank heeft bij de beoordeling van het geschil een onjuiste maatstaf aangelegd. De bewijslast voor de onafgebroken samenwoning rust uitsluitend op de vreemdeling. De minister behoeft slechts te bezien of de vreemdeling daarin is geslaagd.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende.

2.8.1. Met de overgelegde stukken acht de Afdeling onvoldoende aangetoond dat de vreemdeling in de periode van half juli 1999 tot 3 maart 2000 heeft samengewoond met zijn echtgenote. De staatssecretaris heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met die stukken niet heeft aangetoond, althans niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedurende die periode feitelijk en onafgebroken met zijn echtgenote heeft samengewoond.

2.8.2. Het betoog van de vreemdeling ter zitting bij de rechtbank dat het van algemene bekendheid is dat illegalen geen bankrekening kunnen openen is niet met stukken onderbouwd en vormt derhalve reeds hierom geen afdoende verklaring voor het feit dat de vreemdeling over de in geschil zijnde periode zo weinig stukken heeft overgelegd.

2.8.3. De vreemdeling heeft voorts ter zitting van de rechtbank betoogd dat hij zich niet in de GBA kon inschrijven, alvorens hij in het bezit was een verblijfsvergunning.

Dit betoog is niet in overeenstemming met artikel 26 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Daarin is, voorzover thans van belang, bepaald dat op grond van zijn aangifte van verblijf en adres degene die niet in een basisadministratie is ingeschreven en die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derden van de tijd in Nederland verblijf zal houden, die vreemdeling is en rechtmatig verblijf geniet als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, wordt ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente waar hij zijn verblijf heeft. Voorzover de vreemdeling getracht heeft zich te doen inschrijven in de GBA en hieraan geen gevolg is gegeven, zoals door hem ter zitting van de Afdeling is betoogd, had hij hiertegen op grond van het bepaalde in artikel 83 van die wet rechtsmiddelen kunnen aanwenden.

2.8.4. De door de vreemdeling overgelegde verklaringen van vrienden en familie kunnen niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep, reeds nu deze verklaringen niet afkomstig zijn uit een objectieve bron.

2.9. Gelet op het vorenstaande zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 december 2002 in zaak 02/277 RWNL;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Van Tielraden
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2004

156-345.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon