Uitspraak 200400132/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:28
- Datum uitspraak
- 13 februari 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 2 december 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster] een vergunning verleend voor het veranderen van een constructiebedrijf voor onder andere hefwerktuigen, offshore constructies en pretparkattracties, op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Schiedam, sectie […], nummer […]. Voorts heeft verweerder de aangevraagde vergunning geweigerd voor verfspuitactiviteiten. Dit besluit is op 3 december 2003 ter inzage gelegd.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Overige
Toon inhoud
200400132/2.
Datum uitspraak: 13 februari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 december 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster] een vergunning verleend voor het veranderen van een constructiebedrijf voor onder andere hefwerktuigen, offshore constructies en pretparkattracties, op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Schiedam, sectie […], nummer […]. Voorts heeft verweerder de aangevraagde vergunning geweigerd voor verfspuitactiviteiten. Dit besluit is op 3 december 2003 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 6 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 januari 2004 en bij brief van 14 januari 2004. Bij brief van 6 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 februari 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, mr. M. Honders en ir. P. van Vugt, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y. van Hoven, J.M. van de Dool, mr. L.F. van het Hoofd, ing. F.A.A. van der Lans en ir. J.W.T. Voerman, allen ambtenaren van de DCMR Milieudienst Rijnmond, zijn verschenen. Voorts zijn daar [partij sub 1], vertegenwoordigd door mr. A. Vinkenborg en drs. E.M. Korevaar, gemachtigden, [partij sub 2] en [partij sub 3], van wie [partij sub 2] in persoon en bijgestaan door drs. E.M. Korevaar, gemachtigde, [partij sub 4] en [partij sub 5], van wie [partij sub 4] in persoon en bijgestaan door mr. A. Vinkenborg en drs. E.M. Korevaar, gemachtigden, en [partij sub 6] en [partij sub 7], vertegenwoordigd door mr. A. Vinkenborg en drs. E.M. Korevaar, gemachtigden, als partijen gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Verzoekster bestrijdt dat de door haar aangevraagde spuitactiviteiten in de loods niet vergunbaar zijn. Zij kan zich er niet mee verenigen dat verweerder is afgeweken van landelijk gehanteerde richtlijnen ter bestrijding van geurhinder en dat hij als uitgangspunt hanteert dat buiten de inrichting geen van de inrichting afkomstige geur mag worden waargenomen. Zij wijst erop dat vast beleid voor het categorie 3-gebied waarin haar inrichting is gelegen, ontbreekt.
2.2.1. Blijkens de stukken heeft verweerder de brief van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juni 1995, LE/LV/AJS95.16B, de Nederlandse emissierichtlijnen Lucht (hierna: NeR) en het provinciaal geurbeleid dat is neergelegd in de nota Uitvoering Stankbeleid van augustus 1995 en in de notitie “Deelnotitie A, Overzicht van het stankbeleid”, tot uitgangspunt genomen.
Verweerder wijst er in het bestreden besluit op dat op basis van het provinciaal beleid een uitzonderingspositie geldt voor het Rijnmondgebied dat als “categorie 3 gebied” wordt aangemerkt. Als uitgangspunt voor inrichtingen in dit gebied neemt verweerder dat geuremissie vanuit de inrichting buiten de inrichtingsgrenzen niet waarneembaar mag zijn. Hij betoogt dat, gelet op de basisbelasting in het Rijnmondgebied en de cumulatie van geuren, moet worden uitgegaan van een strengere benadering dan elders op basis van het provinciaal beleid geldt. De reden om deze aparte benadering te kiezen is enerzijds het gevolg van het feit dat voor categorie 3-bedrijven een speciale aanpak nodig is en anderzijds pragmatisch. Door de grote hoeveelheid bedrijven en (potentiële) bronnen, is het ondoenlijk om voor elk bedrijf een nauwkeurige inventarisatie voor de geuremissie uit te voeren. Om ook bij kleinere inrichtingen in dit gebied, zoals de onderhavige inrichting, te voorkomen dat er (extra) geurhinder optreedt, moet rekening worden gehouden met de reeds aanwezige basisbelasting in het Rijnmondgebied en de cumulatie van geuren, en moet daarom eveneens worden uitgegaan van voornoemd uitgangspunt. Het is hierom volgens verweerder van belang dat niet elk bedrijf zijn “geurruimte” opvult door exact uit te rekenen bij welke uitworp er bij de dichtstbijgelegen woonbebouwing nog net geen sprake is van geurhinder. Aangezien het uitgangspunt dat geuremissie buiten de inrichtingsgrenzen niet waarneembaar mag zijn, in de onderhavige situatie echter niet haalbaar is, acht verweerder een lichte afwijking hiervan, die zo dicht mogelijk bij het streven blijft, aanvaardbaar.
2.2.2. Voor de beoordeling van de geurhinder heeft verweerder zich mede gebaseerd op het rapport “Geuremissie en –immissie ten gevolge van de straal- en spuitloods op het terrein van [partij sub 2]”, rapportnummer FL 16125-3 van 9 mei 2003 dat als aanvulling op de aanvraag is ingediend. Hij is van mening dat de door verzoekster aangevraagde spuitactiviteiten die volgens die rapportage in de representatieve bedrijfssituatie kan voldoen aan grenswaarden van 1 ge/m3 als 99,5 percentiel bij de lintbebouwing aan de Julianalaan en 2 ge/m3 als 99,5 percentiel bij bedrijfswoningen aan de Jan Evertsenweg, vanuit het door hem gehanteerde uitgangspunt niet aanvaardbaar zijn. Hierbij moet volgens verweerder nog worden bedacht dat niet van de “representatieve” bedrijfssituatie maar van de worst-case situatie moet worden uitgegaan en dat naast de emissie via de schoorsteen ook rekening moet worden gehouden met diffuse emissies. Het toestaan van een geurwaarneembaarheid van 44 uur (0,5 percentiel) op jaarbasis past niet in het door hem gehanteerde beleid en is dus niet wenselijk, aldus verweerder. Bovendien overweegt verweerder dat het toestaan van normen van 1 ge/m3 respectievelijk 2 ge/m3 als 99,5 percentiel zou leiden tot een situatie waar in de praktijk geen direct handhaafbare controle mogelijk is. Geurwaarneming in de orde van grootte van 1 ge/m3 als 99,99 percentiel voor woningen zou volgens verweerder wel recht doen aan het uitgangspunt “geen geur bij woningen”. Verder vindt bij een norm van 1 ge/m3 als 98 percentiel voor bedrijfswoningen slechts een beperkte geurwaarneming plaats en hoeft niet gevreesd te worden voor onaanvaardbare geurhinder. Verweerder overweegt dat met het gebruik van koolfilters, die echter niet zijn aangevraagd, aan deze waarden zou kunnen worden voldaan. Zonder deze maatregel of andere aanvullende geurbeperkende maatregelen kunnen de spuitactiviteiten volgens verweerder niet worden toegestaan.
2.2.3. De Voorzitter overweegt dat in de brief van 30 juni 1995 waarop verweerder zich onder andere stelt te hebben gebaseerd onder meer is neergelegd dat geen maatregelen nodig zijn als er geen hinder is, dat in geval van hinder maatregelen moeten worden getroffen die stroken met het ALARA-beginsel en dat het bevoegd gezag vaststelt welk niveau van geurhinder in een bepaalde situatie nog acceptabel is. De Voorzitter constateert dat verweerder heeft nagelaten te onderzoeken welke hinder concreet bij de betrokken woningen wordt ondervonden en heeft nagelaten vast te stellen welk niveau van hinder in dit concrete geval nog acceptabel is. Voorzover verweerder heeft gesteld dat hij door middel van zijn hierboven weergegeven uitgangspunt dat geur niet waarneembaar mag zijn buiten de inrichtingsgrenzen op algemene wijze invulling heeft gegeven aan het acceptabele hinderniveau voor het Rijnmondgebied, overweegt de Voorzitter dat in de brief van 30 juni 1995 niet alleen voor categorie 2-, maar ook voor categorie 3-bedrijven een individuele aanpak wordt voorgestaan, hetgeen overigens niet in de weg staat aan het betrekken van de bestaande toestand van het milieu bij de beslissing op de aanvraag, conform artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. Voorts is niet gebleken dat het uitgangspunt dat verweerder in het bestreden besluit heeft geformuleerd met betrekking tot de beoordeling van geurhinder in het Rijnmondgebied, wordt gehanteerd op grond van een vastgesteld beleidsdocument dan wel in een vaste praktijk.
De Voorzitter ziet in het voorgaande aanleiding het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen, voorzover het de weigering betreft vergunning te verlenen voor de spuitactiviteiten. De Voorzitter acht de door verzoekster verzochte voorziening, strekkende tot het voorlopig toestaan van de spuitactiviteiten, te verstrekkend, aangezien daarmee vooruit wordt gelopen op nog te treffen maatregelen.
Overigens heeft verzoekster ter zitting laten weten bereid te zijn om zonodig een nieuwe aanvraag in te dienen waarin conform het ALARA-beginsel aanvullende geurbeperkende maatregelen zijn opgenomen om aan lagere geurnormen te kunnen voldoen dan door haar voorgesteld.
2.3. Gelet op het voorgaande komt het verzoek gedeeltelijk voor inwilliging in aanmerking.
2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden beoordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam van 2 december 2003, voorzover het de weigering van de aangevraagde spuitactiviteiten betreft;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Schiedam in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Schiedam te worden betaald aan verzoekster;
III. gelast dat de gemeente Schiedam aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Kuipers
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2004
271-441.