Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202306911/1/R2

Uitspraak 202306911/1/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4867
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 16 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda aan Sintels B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van een terrein voor het organiseren van dressuur- en/of springwedstrijden in de periode van 31 maart tot 1 oktober op de locatie Rijsbergseweg 590 in Breda. Sintels exploiteert een manage met een paarden- en ponyfokkerij en wil hippische wedstrijden gaan organiseren. Het houden van evenementen en het daarbij behorend parkeren passen volgens het college van Breda niet binnen de geldende bestemmingsplannen. Het college heeft vervolgens een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verleend. De Groene Koepel en anderen zijn het niet eens met dit besluit omdat zij vrezen dat de natuur wordt aangetast door de wedstrijden. De Groene Koepel en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college van Breda bevoegd is om de omgevingsvergunning te verlenen, omdat het zwaartepunt van de afwijking van het bestemmingsplan niet in Breda ligt.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persaankondiging
Volledige tekst

202306911/1/R2.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Milieuvereniging De Groene Koepel, gevestigd in Breda, en anderen,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West­-Brabant van 28 september 2023 in zaak nr. 23/1653 in het geding tussen:

De Groene Koepel en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2023 heeft het college aan Sintels B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van een terrein voor het organiseren van dressuur- en/of springwedstrijden in de periode van 31 maart tot 1 oktober op de locatie Rijsbergseweg 590 in Breda.

Bij uitspraak van 28 september 2023 heeft de rechtbank het door De Groene Koepel en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 januari 2023 vernietigd, voor zover de motivering gaat over het bosperceel waar geen paarden overheen zouden lopen, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het deels vernietigde besluit in stand blijven.

Tegen deze uitspraak hebben De Groene Koepel en anderen hoger beroep ingesteld.

Sintels heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 15 oktober 2025, waar De Groene Koepel en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, rechtsbijstandverlener in Gennep, en het college, vertegenwoordigd door mr. N.E. Snel, zijn verschenen. Verder is op zitting Sintels B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en bijgestaan door mr. M.P. Wolf, advocaat in Breda, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 februari 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Sintels exploiteert een manage met een paarden- en ponyfokkerij en wil hippische wedstrijden gaan organiseren. Het houden van evenementen en het daarbij behorend parkeren passen volgens het college van Breda niet binnen de geldende bestemmingsplannen. Het college heeft vervolgens een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verleend. De Groene Koepel en anderen zijn het niet eens met dit besluit omdat zij vrezen dat de natuur wordt aangetast door de wedstrijden.

3.       Het wettelijk kader is opgenomen als bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Bevoegdheid om de omgevingsvergunning te verlenen

4.       De Groene Koepel en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college van Breda bevoegd is om de omgevingsvergunning te verlenen, omdat het zwaartepunt van de afwijking van het bestemmingsplan niet in Breda ligt. De Groene Koepel en anderen voeren daarover aan dat de oppervlakte van de gebruikte gronden in Breda veel kleiner is dan in Zundert (31789 m2 in Breda en 44215 m2 in Zundert). Verder voeren zij aan dat de wedstrijden van type 1 en 2 weliswaar het meeste plaatsvinden, maar dat deze op een kleine oppervlakte plaatsvinden. Wedstrijdtype 3 vindt, weliswaar minder frequent, maar op een veel grotere oppervlakte plaats en dan vooral in Zundert waardoor de afwijking op Zunderts grondgebied groter is. Ten slotte is volgens De Groene Koepel en anderen de meest ingrijpende afwijking van de bestemming de afwijking van de natuurbestemming in Zundert. Omdat het college van Zundert op de aanvraag had moeten beslissen, had ook de raad van de gemeente Zundert een verklaring van geen bedenkingen moeten afgeven. Dit is nu volgens De Groene Koepel en anderen ten onrechte niet gebeurd.

4.1.    Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning (artikel 2.4, eerste lid, van de Wabo). Hierbij moeten alle activiteiten die samen het project vormen in ogenschouw worden genomen.

4.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Bredase college bevoegd was om een besluit te nemen op de aanvraag van Sintels. De gevraagde afwijking van het bestemmingsplan is namelijk het betrokken project en zal hoofdzakelijk op Bredase gronden worden uitgevoerd. Wat de Groene Koepel en anderen aanvoeren over het feit dat de wedstrijden van type 1 en 2 op een kleinere oppervlakte in Breda- en de wedstrijd van type 3 op een grotere oppervlakte in Zundert plaatsvinden, maakt nog niet dat de wedstrijden hoofdzakelijk in Zundert plaatsvinden. Hoewel het zwaartepunt van de afwijking wat betreft het aantal vierkante meters wellicht op Zundertse gronden ligt, moeten daarnaast ook de intensiteit van het aantal deelnemers en de frequentie van de wedstrijden en het bijbehorend parkeren worden meegewogen bij het beantwoorden van de vraag in welke gemeente de activiteiten hoofdzakelijk plaatsvinden.

4.3.    Uit de aanvraag om een omgevingsvergunning blijkt dat de wedstrijden van type 1 en 2, die hoofdzakelijk op Bredase gronden plaatsvinden, gezamenlijk voor maximaal zes weekenden per jaar kunnen worden georganiseerd. De wedstrijden van type 3, die hoofdzakelijk op Zundertse gronden plaatsvinden, vindt maar één weekend per jaar plaats. Verder heeft het college op de zitting toegelicht dat de route van de jumpcross slechts over een beperkt gedeelte van de genoemde percelen in Zundert gaat en dus niet de gehele percelen in Zundert in gebruik zullen zijn. Ook hebben de wedstrijden van type 1 en 2 aanzienlijk meer deelnemers dan de wedstrijden van type 3. Zo kunnen aan de wedstrijden van type 1200 deelnemers per dag meedoen en aan de wedstrijden van type 2160 deelnemers per ring per weekend. Aan de wedstrijd met type 3 kunnen maar 100 deelnemers per weekend meedoen. Omdat de wedstrijden van type 1 en 2 aanzienlijk meer deelnemers hebben en frequenter plaatsvinden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het betrokken project grotendeels op Breda gronden plaatsvindt.

4.4.    Wat De Groene Koepel en anderen verder hebben aangevoerd over de meest ingrijpende afwijking op de Zundertse gronden met de bestemming "Natuur" volgt de Afdeling niet. Uit de aanvraag om een omgevingsvergunning staat dat de wedstrijden die plaatsvinden op het perceel met de natuurbestemming in Zundert, namelijk perceel 2348, niet door het beboste gedeelte met de natuurbestemming gaat. Hierom kan de afwijking op de gronden met een natuurbestemming niet groter of ingrijpender zijn dan de afwijking op de gronden met een agrarische bestemming.

4.5.    Omdat het college van Breda het bevoegd gezag is om te beslissen op de aanvraag en niet het college van Zundert, is eveneens geen verklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente Zundert vereist.

Het betoog slaagt niet.

Wijziging ontwerpbesluit

5.       De Groene Koepel en anderen betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verleende omgevingsvergunning niet wezenlijk afwijkt van het ontwerpbesluit, waardoor het ontwerpbesluit niet opnieuw ter inzage hoefde te worden gelegd. De Groene Koepel en anderen voeren daarover aan dat het besluitvlak van perceel 2334 bij het ontwerpbesluit erg beperkt was, terwijl deze in het definitieve besluit is gewijzigd naar een veel groter gebied. Hierdoor vinden de wedstrijden en het daarbij behorend parkeren veel dichter bij de woonomgeving ten noorden van het perceel plaats en is het een ingrijpende wijziging.

5.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de wijziging van het ontwerpbesluit niet opnieuw ter inzage hoefde te leggen. Een bestuursorgaan kan namelijk tot het standpunt komen dat een besluit moet worden genomen dat afwijkt van het ontwerpbesluit. De bepalingen van afdeling 3.4 van de Awb verplichten het bestuursorgaan er niet toe om in dat geval een nieuw ontwerpbesluit ter inzage te leggen, voordat het een definitief besluit neemt. In dit geval is de vergroting van het besluitvlak enkel een correctie van een onjuiste intekening op het ontwerpbesluit. In de vergunningsaanvraag en de ruimtelijke onderbouwing is dit perceel namelijk wel opgenomen bij de intekening van het gebied waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft. Daarnaast is de vergroting van het besluitvlak, ten opzichte van het gehele gebied waar de omgevingsvergunning over gaat, minimaal. De toevoeging gaat namelijk alleen over een gedeelte van het perceel met perceelnummer 2334.

Het betoog slaagt niet.

Natuur Netwerk Brabant en Groenblauwe mantel

6.       De Groene Koepel en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de omgevingsvergunning niet in strijd met artikel 3.15 en 3.32 van de IOV is verleend. Zij voeren daarover aan dat deze artikelen hoe dan ook vereisen dat de omgevingsvergunning regels bevat die strekken tot behoud én herstel van de ecologische- (artikel 3.15) en hydrologische (artikel 3.32) waarden en kenmerken van het gebied. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met andere aanwezige waarden en kenmerken zoals rust, stilte en cultuurhistorie (artikel 3.15, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV) en moet de ontwikkeling gepaard gaan met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische- en landschappelijke waarden en kenmerken (artikel 3.32, eerste lid, aanhef en onder c, van de IOV). De hierboven genoemde regels zijn volgens de Groene Koepel en anderen imperatief en omdat hierover geen voorschriften zijn opgenomen in de omgevingsvergunning, is deze in strijd met artikel 3.15 en 3.32 van de IOV verleend.

6.1.    De artikelen 3.15 en 3.32 van de IOV dwingen er in z’n algemeenheid niet toe, zoals De Groene Koepel en anderen betogen, dat aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden ter bescherming van in artikel 3.15, tweede lid en artikel 3.32 van de IOV bedoelde waarden en kenmerken van het gebied. Een dergelijke bescherming kan door de van een bestemmingsplan deel uitmakende regels worden geboden. De omgevingsvergunning maakt alleen met het bestemmingsplan strijdig gebruik mogelijk en hoeft daarom geen voorschriften te bevatten ter bescherming van de bedoelde waarden en kenmerken in relatie met het vergunde strijdige gebruik.

6.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verleende omgevingsvergunning tenminste moet strekken tot behoud van de in de artikelen 3.15, eerste lid, en 3.32, eerste lid bedoelde waarden en kenmerken van het gebied. Gelet op de aard, omvang en tijdelijkheid van het hippisch gebruik, waarover de omgevingsvergunning gaat, en de daarmee samenhangende inbreuk van dat gebruik op het ter plaatse geldende planologisch regiem heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat dat het geval is. Het hippisch gebruik vindt slechts enkele malen per jaar gedurende een beperkte periode buiten het broedseizoen plaats, het speelt zich af binnen een beperkt gebied met een beperkt aantal deelnemers, de te plaatsen objecten worden na afloop weer verwijderd en het gebied verkeert na de beëindiging van het gebruik weer terug in de oorspronkelijke staat. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat door dat gebruik ecologische waarden en kenmerken niet worden aangetast. De Groene Koepel en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat door dat gebruik desondanks wel schade aan ecologische waarden en kenmerken, of andere waarden en kenmerken, waarop de artikelen 3.15, tweede lid, en artikel 3.32, tweede zien, wordt toegebracht. Daarom heeft het college ook kunnen besluiten geen voorschriften ter bescherming van die waarden en kenmerken aan de omgevingsvergunning te verbinden.

Het betoog slaagt niet.

Externe effecten op het Natuur Netwerk Brabant

7.       Verder betogen De Groene Koepel en anderen dat rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de omgevingsvergunning niet in strijd met artikel 3.16 van de IOV is verleend. Zij voeren daarover aan dat de quick scan, waar het college zich op baseert, niet op het juiste moment is uitgevoerd. Op de zitting hebben De Groene Koepel en anderen verder aangevoerd dat de percelen van Sintels zijn omgeven door het NNB en deze een functioneel leefgebied zijn voor beschermde diersoorten. Door de jumpcross en het parkeren in de omgeving worden deze leefgebieden keer op keer verstoord.

7.1.    De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat de omgevingsvergunning niet in strijd met artikel 3.16 van de IOV is verleend. Uit de quick scan blijkt namelijk dat significante aantasting en negatieve effecten door externe werking op het NNB gezien de omvang, aard en tijdelijkheid van de activiteiten op voorhand zijn uit te sluiten. Alleen de jumpcross gaat vlak langs het gebied dat is aangewezen als NNB. Die vindt maar één weekend per jaar plaats en enkel buiten het broedseizoen. Verder worden tijdelijke objecten geplaatst die later worden verwijderd. De Groene Koepel en anderen hebben verder geen tegenrapport overlegd waaruit blijkt dat de bevindingen in de door Sintels overlegde quick scan onjuist zijn. Omdat de activiteiten niet leiden tot negatieve effecten op het aangrenzende NNB is de omgevingsvergunning niet in strijd met artikel 3.16 van de IOV verleend.

Het betoog slaagt niet.

(Nieuw)vestiging

8.       Verder betogen De Groene Koepel en anderen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de activiteiten niet als (nieuw)vestiging kunnen worden aangemerkt omdat alleen tijdelijk objecten worden geplaatst. De Groene Koepel en anderen voeren daarover aan dat omdat de rechtbank de activiteiten als ruimtelijke ontwikkeling heeft aangemerkt, deze daardoor ook als vestiging of nieuwvestiging moeten worden gezien, afhankelijk van waar de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt. Daarvoor is het niet nodig dat er ook daadwerkelijk gebouwd wordt. Zij verwijzen daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3161, onder 7.2. Verder voeren De Groene Koepel en anderen aan dat de vergunning niet tijdelijk is, omdat deze voor een onbepaalde duur de wedstrijden mogelijk maakt.

8.1.    De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat de activiteiten niet als vestiging of nieuwvestiging zijn aan te merken. De activiteiten voldoen namelijk niet aan de begripsbepalingen daarvan in de IOV. De Afdeling gaat daar onder 8.2 en 8.3 verder op in. Daarnaast wordt opgemerkt dat de rechtbank onbestreden heeft geoordeeld dat de wedstrijden een ruimtelijke ontwikkeling zijn. De opmerking van Sintels op de zitting dat haar schriftelijke uiteenzetting op dit punt ook moet worden gelezen als een incidenteel hoger beroep, volgt de Afdeling niet. Uit dit stuk is namelijk niet af te leiden dat deze als incidenteel hoger beroep was bedoeld, waardoor de Afdeling deze niet als zodanig aanmerkt.

8.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de hippische wedstrijden niet als vestiging in de zin van artikel 1.1 van de IOV zijn aan te merken. De omgevingsvergunning maakt namelijk geen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk op een bestaand bouwperceel binnen het deel waar het oprichten van gebouwen is toegestaan. De bestemmingsplannen staan bebouwing op de agrarische percelen van Sintels namelijk niet toe. Enkel op het perceel met de bestemming "Sport" is bebouwing toegestaan, maar op grond van artikel 15.2, onder a van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013" mogen gebouwen alleen bij de aanduiding bouwvlak worden gebouwd. Het bouwvlak is gevuld met al bestaande gebouwen. De in de aanvraag voorziene plaatsing van een of twee wedstrijdringen op de sportbestemming kunnen dan ook niet binnen het bouwvlak worden geplaatst. Alleen al daarom gaat ook dit deel van de aanvraag niet over een deel van een bestaand bouwperceel waarbinnen het oprichten van gebouwen is toegestaan.

8.3.    De rechtbank is ook terecht tot de conclusie gekomen dat de hippische wedstrijden niet als nieuwvestiging in de zin van artikel 1.1 van de IOV zijn aan te merken. De omgevingsvergunning maakt namelijk geen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk die bebouwing en/of een bedrijfsfunctie mogelijk maakt die op grond van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan. De omgevingsvergunning maakt het immers niet mogelijk dat er gebouwen worden gerealiseerd. De hindernissen en de dressuurring worden tijdelijk geplaatst en vervolgens weer verwijderd. Daarnaast kunnen de wedstrijden, gezien het incidentele karakter en de sportieve aard, niet worden aangemerkt als bedrijfsfunctie, maar moeten deze worden aangemerkt als een sportfunctie. Nu de hippische wedstrijden niet zijn te kwalificeren als bebouwing, dan wel als bedrijfsfunctie is niet voldaan aan de definitie van nieuwvestiging zoals genoemd in artikel 1.1 van de IOV.

8.4.    Omdat de hippische activiteiten niet zijn aan te merken als vestiging, dan wel als nieuwvestiging, komt de Afdeling niet toe aan de betogen van De Groene Koepel en anderen over de artikelen 3.45, aanhef en onder b, 3.73 en 3.76 van de IOV. Deze artikelen gaan namelijk allemaal over een situatie dat de activiteiten zijn aan te merken als vestiging of nieuwvestiging.

Het betoog slaagt niet.

Verbetering van de landschappelijke kwaliteit

9.       De Groene Koepel en anderen betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen verplichting tot fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving bestaat (artikel 3.9 van de IOV), omdat de ruimtelijke ontwikkeling niet wordt aangemerkt als nieuwvestiging. De Groene Koepel en anderen voeren daarover aan dat dit artikel ook van toepassing is op een ruimtelijke ontwikkeling zonder nieuwvestiging.

9.1.    De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat alleen al omdat de omgevingsvergunning geen (nieuw)vestiging mogelijk maakt, het beroep op artikel 3.9 van de IOV niet slaagt. Artikel 3.9 van de IOV voorziet namelijk in een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving bij een ruimtelijke ontwikkeling en niet slechts (nieuw)vestiging. Dit leidt alleen niet tot een andere uitkomst. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat geen verplichting bestond tot fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit.

9.2.    Op grond van artikel 3.9 van de IOV moet een ruimtelijke ontwikkeling in landelijk gebied gepaard gaan met een verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied. In het tweede lid van dit artikel wordt onder meer als voorwaarde gesteld dat de afspraken uit regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4, worden nagekomen. Deze afspraken zijn opgenomen in de Landschapsinvesteringsregeling (Lir). In de Lir van de gemeente Breda wordt bij ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed geen kwaliteitsverbetering geëist (categorie 1). Hoewel artikel 3.9 van de IOV in principe verplicht tot een verbetering van de landschappelijke kwaliteit brengt een redelijke uitleg van dit artikel met zich mee dat in de Lir op regionaal niveau categorieën kunnen worden aangewezen wanneer dit niet is vereist. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling bijvoorbeeld niet of nauwelijks invloed heeft op de landschappelijke kwaliteit, hoeft deze niet gepaard te gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Daarnaast heeft het college op de zitting toegelicht dat de Lir is afgestemd met de provincie en deze daarmee akkoord is gegaan.

9.3.    Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat in dit geval geen verplichting bestaat om de landschappelijke kwaliteit te verbeteren. De wedstrijden vinden maximaal zes weekenden per jaar plaats en er worden enkel objecten op de gronden geplaatst, die later worden verwijderd. Gelet hierop is de invloed op het landschap beperkt en vallen de wedstrijden onder een ruimtelijke ontwikkeling van categorie 1 zoals genoemd in de Lir. De omgevingsvergunning is dan ook niet in strijd met artikel 3.9 van de IOV genomen.

Het betoog slaagt niet.

Agrarisch gerelateerd bedrijf

9.4.    Ook betogen De Groene Koepel en anderen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vergunning niet in strijd is verleend met artikel 3.60, aanhef en onder b, en 3.71 van de IOV. Zij voeren daarover aan dat door de ruimtelijke ontwikkeling die de omgevingsvergunning mogelijk maakt, een bestaand niet-agrarisch-verwant bedrijf groter wordt dan de maximale1,5 hectare.

9.5.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de omgevingsvergunning niet in strijd is met de artikelen 3.60, aanhef en onder b, en 3.71 van de IOV. De omgevingsvergunning staat namelijk alleen afwijkend gebruik toe van de gronden die al in gebruik waren van Sintels. Het bedrijf wordt dus in oppervlakte niet uitgebreid en dus heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te toetsen of het bedrijf voldoet aan de maximale omvang van 1,5 hectare.

Het betoog slaagt niet.

Lawaaisport

9.6.    De Groene Koepel en anderen betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de omgevingsvergunning niet in strijd is met artikel 3.72 van de IOV. Zij voeren daarover aan dat dit artikel gaat over de voorziening voor sportactiviteiten en niet over de sportactiviteit zelf. Er zal een geluidsinstallatie worden aangebracht voor de sportactiviteiten waardoor de wedstrijden toch onder lawaaisport als genoemd in artikel 3.72 van de IOV vallen.

9.7.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de omgevingsvergunning niet in strijd is met artikel 3.72 van de IOV. Een lawaaisport is een voorziening voor sportactiviteiten waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd, waaronder in ieder geval wordt begrepen de rallysport, de motorsport en de modelvliegsport (artikel 1.1 van de IOV). De hippische sportactiviteiten produceren zelf geen motorische of mechanische geluiden en de geluidsinstallatie wordt alleen gebruikt voor het omroepen van informatie. Om die reden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de paardenwedstrijden geen lawaaisport zijn.

Het betoog slaagt niet.

Natuurtoets

10.     De grond over de stikstofberekening in de natuurtoets is zo goed als een herhaling van wat De Groene Koepel en anderen daarover in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. De Groene Koepel en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over de invoerwaarden van de stikstofberekening.

Het betoog slaagt niet.

Overlast

11.     De Groene Koepel en anderen betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij de door hen verwachte overlast niet aannemelijk hebben gemaakt. Daarover voeren zij aan dat de rechtbank bij haar motivering van dit oordeel er ten onrechte van is uitgegaan dat via een link naar de website van vergunninghoudster de wedstrijden gecontroleerd kunnen worden. Dit is volgens De Groene Koepel en anderen namelijk in het besluit niet voorgeschreven. Op de site staan weliswaar de wedstrijden zelf, maar er kan niet worden gecontroleerd of het gaat om wedstrijden op de manege zelf of op de percelen waar de omgevingsvergunning over gaat.

11.1.  De overweging van de rechtbank over inzicht in de wedstrijden via de website is geen doorslaggevende overweging voor haar oordeel dat De Groene Koepel en anderen de door hen verwachte overlast niet aannemelijk hebben gemaakt. De rechtbank heeft ten eerste benoemd dat de frequentie van de wedstrijden ook kan worden gecontroleerd door waarneming. Daarnaast heeft de rechtbank terecht overwogen dat De Groene Koepel en anderen de door hen gestelde overlast niet hebben onderbouwd.

Het betoog slaagt niet.

Ruimtelijke onderbouwing

12.     Ten slotte betogen De Groene Koepel en anderen dat de rechtbank ten onrechte een gebrek in de motivering van de omgevingsvergunning heeft geconstateerd en de rechtsgevolgen daarvan in stand heeft gelaten omdat de toelichting van de vergunninghouder op zitting bij de rechtbank afweek van de ruimtelijke onderbouwing waarop de vergunning was verleend. Zij voeren daarover aan dat in de aanvraag voor de omgevingsvergunning staat dat activiteiten alleen plaatsvinden in het niet-beboste gedeelte van de gronden. De omgevingsvergunning geeft daarom geen toestemming voor jumpcross-activiteiten in het bos zelf. Als Sintels nu meldt dat de jumpcross-activiteiten wel door het bos gaan, geeft zij volgens De Groene Koepel en anderen aan voornemens te zijn de vergunning niet te gaan naleven. De rechtbank kan niet door middel van het in stand laten van de rechtsgevolgen activiteiten aan de vergunning toevoegen.

12.1.  De rechtbank is ten onrechte tot de conclusie gekomen dat de omgevingsvergunning een gebrek bevat. Uit de aanvraag en de verleende omgevingsvergunning blijkt namelijk dat een vergunning is aangevraagd en verleend voor de hippische wedstrijden, waarbij de jumpcross door het niet-beboste gedeelte van het perceel gaat. Het college moet beslissen op een aanvraag zoals deze is ingediend. De jumpcross door het bos kan daarom enkel mogelijk worden gemaakt door het indienen van een nieuwe aanvraag. De rechtbank is in haar bevoegdheden voor finale geschilbeslechting gebonden aan de omvang van het geschil zoals dat bij haar voorligt. Het feit dat Sintels op de zitting bij de rechtbank heeft toegelicht dat de jumpcross toch door het beboste gebied gaat is opvallend, maar biedt de rechtbank niet de mogelijkheid om dit alsnog mogelijk te maken. Het feit dat de quickscan al rekening heeft gehouden met de jumpcross in bebost gebied doet hier niet aan af omdat de aanvraag van een omgevingsvergunning leidend is.

Het betoog slaagt.

Conclusie

13.     Het hoger beroep van De Groene Koepel en anderen is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om de uitspraak van de rechtbank waarin zij het besluit van 16 januari 2023 heeft vernietigd, in zijn geheel te vernietigen, omdat de rechtbank het andere gebrek dat zij heeft vastgesteld, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft gepasseerd. Vernietiging van het besluit blijft in dat geval achterwege. Gelet daarop en op wat onder 12.1 is overwogen, is het beroep alsnog ongegrond. Dit betekent dat de procedure over de omgevingsvergunning is geëindigd.

14.     Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 28 september 2023 in zaak nr. 23/1653;

III.      verklaart het beroep ongegrond;

IV.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Breda tot vergoeding van bij De Groene Koepel en anderen in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.628,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat het bestuursorgaan bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.       gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Breda aan De Groene Koepel en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 913,00 vergoedt, met dien verstande dat het bestuursorgaan bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Ahmady-Pikart
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026

638-1167

Bijlage

Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:22 luidt:

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.4, eerste lid, luidt:

1. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden gehouden of wordt uitgevoerd, beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning (…).

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV)

Artikel 1.1:

Bouwperceel: aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan;

bestaand bouwperceel: bouwperceel waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m2 toestaat;

bouwvlak: geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge het planologisch regiem gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

Lawaaisport: voorziening voor sportactiviteiten waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, de motorsport en de modelvliegsport;

Nieuwvestiging: vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende bestemmingsplan geen bebouwing of bedrijfsfunctie is toegestaan;

Ruimtelijke ontwikkeling: bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een wijziging van het planologisch regime nodig is;

Vestiging: mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling, die op grond van het geldende planologische regime niet is toegelaten, op een bestaand bouwperceel binnen het deel waar het oprichten van gebouwen is toegestaan;

Artikel 3.1, eerste lid, onder c, luidt:

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder bestemmingsplan tevens begrepen:

c. een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3̊ , Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan (…) wordt afgeweken;

Artikel 3.9 luidt:

1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

2. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat:

(…)

b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen.

Artikel 3.15, eerste lid, onder a, luidt:

1. Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken;

Artikel 3.16, eerste lid luidt:

1. In aanvulling op de Wet natuurbescherming bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd (…).

Artikel 3.32, eerste lid, onder a, luidt:

1. Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel:

a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken;

Artikel 3.45, aanhef en onder b luidt:

Als er sprake is van een kernrandzone, kan een bestemmingsplan ter plaatse van Landelijk gebied voorzien in:

b. de nieuwvestiging of uitbreiding van voorzieningen voor veldsporten, volkstuinen, schuilhutten en andere kleinschalige vrije-tijdsvoorzieningen als:

1. de locatie in een kernrandzone ligt dan wel een gebied dat gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden tot de kernrandzone;

2.de beoogde ontwikkeling slechts een kleinschalige bebouwing of -voorziening met zich brengt;

3. het bestemmingsplan borgt dat de voorziening inclusief de toegelaten bebouwing, kleinschalig blijft;

4. de publieksaantrekkende werking beperkt is.

Artikel 3.60, onder b, luidt:

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk Gebied bevat regels voor een bestaand agrarisch-technisch hulpbedrijf of een bestaand agrarisch-verwant bedrijf die: (…)

b. bepalen dat de omvang ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;

Artikel 3.71 luidt:

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaande niet-agrarische functie die:

a. De bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen;

b. een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking uitsluiten;

c. kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenst ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:

1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;

2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;

3. hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstand vastgoed in het Landelijk gebied.

Artikel 3.72 luidt:

In afwijking op artikel 3.71 Bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied geldt voor lawaaisport dat een beperkte uitbreiding alleen mogelijk is binnen Gemengd landelijk gebied.

Artikel 3.73 luidt:

Lid 1

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a.de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:

1.een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;

2.welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;

3.hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.

b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel;

c. overtollige bebouwing wordt gesloopt;

d. de vestiging heeft geen betrekking op:

1. een kantoor met baliefunctie;

2. lawaaisport;

3. mestbewerking.

Lid 2

Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels:

a.o ver een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;

b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;

c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;

d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Lid 3

Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor:

a.bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;

b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²;

c.een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.

Artikel 3.76 luidt:

Lid 1

In afwijking van artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied een andere omvang toelaten voor een vrije-tijds voorziening als:

a.       dat past in de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in het eerste lid van voornoemd artikel;

b.       ter uitvoering van artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap elders leegstaand vastgoed binnen Landelijk gebied is gesloopt van een omvang die ten minste gelijk is aan de oppervlakte van de bebouwing die boven de 1 hectare wordt toegestaan;

c.       de ontwikkeling in samenhang met andere doelen voor het gebied en de directe omgeving wordt uitgevoerd, waarbij ook kwaliteitswinst voor andere functies, waaronder natuur, wordt bereikt.

Lid 2

Als de afwijkende omvang leidt tot bovenlokale effecten, waaronder een grote publieksaantrekkende werking, geldt in aanvulling op het eerste lid dat:

a. de ontwikkeling draagvlak heeft in de regio;

b.       is voorzien in een goede ontsluiting van de voorziening;

c.       het initiatief buiten de Nieuwe Hollandse waterlinie ligt.

Bestemmingsplan: ‘Buitengebied Zuid 2013’ (bestemmingsplan Breda)

Artikel 4.1, onder c, luidt:

De voor Agrarisch met waarden- landschapswaarden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

c. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en abiotische waarden;

Artikel 15.2, onder a, luidt:

Op of in de tot Sport bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat:

a. gebouwen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding bouwvlak mogen worden gebouwd met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘manage’ op de locatie Rijsbergseweg 590 de oppervlakte aan gebouwen niet mag worden uitgebreid;

Bestemmingsplan ‘Vierde herziening bestemmingsplan buitengebied Zundert’ (bestemmingsplan Zundert)

Artikel 8.1, onder c luidt: De voor 'Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel' aangewezen gronden zijn bestemd voor: (…)

c. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische, en natuurwaarden, waaronder in ieder geval verstaan:

1. kleinschaligheid van het landschap,

2. landschapselementen;

3. begeleid natuurlijke eenheden en kleinere bos- en natuurgebieden, met tussenliggende of omringende landbouwgronden;

4. de doelstellingen en de waarden van de ecologische hoofdstructuur;

Persaankondiging

Omgevingsvergunning voor dressuur- en springwedstrijden in Breda

Uitspraak over de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Breda heeft verleend voor het jaarlijks organiseren van dressuur- en springwedstrijden tussen 1 april en 1 oktober aan de Rijsbergseweg in Breda. Op die locatie exploiteert Sintels B.V. een manege met een paarden- en ponyfokkerij. Milieuvereniging De Groene Koepel is het niet eens met de omgevingsvergunning en kwam daartegen eerder in beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, maar die hield de omgevingsvergunning in stand. De milieuvereniging laat het er niet bij zitten en is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. De milieuvereniging is van mening dat het college van B&W niet op de aanvraag voor een vergunning had mogen beslissen, omdat het grootste deel van het terrein van Sintels niet in de gemeente Breda, maar in de gemeente Zundert ligt. Verder voert ze onder meer aan dat de percelen van Sintels zijn omgeven door het zogenoemde Natuurnetwerk Brabant en dat deze percelen een functioneel leefgebied zijn voor beschermde diersoorten. Door de zogeheten jumpcross die wordt georganiseerd en het parkeren in de omgeving worden deze leefgebieden keer op keer verstoord, aldus De Groene Koepel. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 15 oktober 2025 op zitting behandeld.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon