Uitspraak BRS.26.003801 en BRS.26.003802
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4640
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 21 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.003801 en BRS.26.003802
ECLI:NL:RVS:2026:4640
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 14 juli 2026 in zaak nr. NL26.28879 in het geding tussen:
[appellant],
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 mei 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 14 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Wat u in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, voldoet niet aan de wet (artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt, uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Dat heeft u niet gedaan. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit zorgvuldig is voorbereid, dat u niet aannemelijk heeft gemaakt dat de minister voor Spanje niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, en dat de minister in de individuele omstandigheden van u en uw kinderen geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. U wijst in hoger beroep op uw individuele situatie en op het feit dat u uw belangen en die van uw kinderen nog niet volledig heeft kunnen toelichten. U legt hiermee niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens u niet juist is. Omdat het hogerberoepschrift dus niet aan de eisen van de wet voldoet, kan de voorzieningenrechter geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep. De voorzieningenrechter kan u ook geen nadere termijn geven om een nieuwe advocaat te zoeken, zodat u in overleg met een advocaat alsnog kan uitleggen waarom de uitspraak van de rechtbank volgens u onjuist is. Dat staat namelijk in artikel 85, derde lid, van de Vw 2000.
2. Er doen zich in uw geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664, die maken dat uw hoger beroep toch inhoudelijk moet worden behandeld omdat u een onmiskenbaar risico loopt op onmenselijke behandeling.
3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Heinen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026
984