Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202403774/1/V3

Uitspraak 202403774/1/V3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4454
Datum uitspraak
31 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 21 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 22 april 2024 heeft de staatssecretaris het verzoek van betrokkene om heroverweging van het terugkeerbesluit en verwijdering van de signalering uit het SIS afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202403774/1/V3.
Datum uitspraak: 31 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de hoger beroepen van:

1. de minister van Asiel en Migratie,

2. [betrokkene],
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 mei 2024 in zaak nr. NL23.35855 in het geding tussen:

betrokkene

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.

Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 april 2024 heeft de staatssecretaris het verzoek van betrokkene om heroverweging van het terugkeerbesluit en verwijdering van de signalering uit het SIS afgewezen.

Bij uitspraak van 23 mei 2024 heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het besluit van 19 oktober 2023 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van 22 april 2024 dat de rechtbank ook in haar oordeel heeft betrokken, heeft zij gegrond verklaard. Dat besluit heeft zij vernietigd en zij heeft bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt op het verzoek met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een zienswijze gegeven.

Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.

Bij besluit van 10 oktober 2024 heeft de minister opnieuw het door betrokkene gedane verzoek afgewezen.

Bij besluit van 30 januari 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Overwegingen

Inleiding

1.       Betrokkene, met de Bengaalse nationaliteit, is met ingang van 1 februari 2022 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘studie’. De minister heeft met het besluit van 21 april 2023 deze verblijfsvergunning ingetrokken met ingang van 1 augustus 2022, omdat de onderwijsinstelling betrokkene heeft afgemeld vanwege onvoldoende studievoortgang. De intrekking geldt ook als terugkeerbesluit. Daarbij heeft de minister betrokkene vanwege het terugkeerbesluit gesignaleerd in het SIS. Betrokkene heeft verzocht om verwijdering van de SIS-signalering en heroverweging van het terugkeerbesluit en beroep ingesteld, omdat hij naar Portugal verhuisd is.

1.1.    Betrokkene heeft in beroep de volgende stukken overgelegd:

•       Verklaring van Portugese gemeente van 10 augustus 2022;

•       Arbeidsovereenkomst van 31 december 2022;

•       Arbeidsovereenkomst van 12 augustus 2022;

•       Loonstroken van augustus 2022 en van januari 2023 tot en met juni 2023;

•       Aanvraag voor een verblijfsvergunning (ongedateerd);

•       Een verklaring over een verhuizing van 6 november 2023;

•       Accommodatieformulier van 15 maart 2022;

•       Voornemen tot afwijzing aanvraag verblijfsvergunning van 26 februari 2025;

•       Mailwisseling met Portugese advocaat van 18 juli 2024.

Het hoger beroep van de minister

2.       Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075, onder 4.1 tot en met 4.5, over de vraag of de minister gehouden was naar aanleiding van de overgelegde stukken nader te onderzoeken en te motiveren of de vreemdeling een door Portugal afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf had in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn). De overwegingen van die uitspraak zijn hier van overeenkomstige toepassing, zodat de grief slaagt.

Het hoger beroep van betrokkene

3.       Het hoger beroep van betrokkene is ongegrond. Betrokkene betoogt weliswaar terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet noodzakelijk is dat hij op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit in Nederland verbleef, maar dit leidt niet tot een andere uitkomst. De minister heeft de aanwezigheid van betrokkene op het Nederlandse grondgebied op het in deze procedure relevante peilmoment

- het besluit van 21 april 2023 - terecht aangenomen. Zo stond betrokkene op 21 april 2023 ingeschreven in de Basisregistratie Personen en heeft hij in zijn zienswijze en in bezwaar zich op het standpunt gesteld dat hij in Nederland wil blijven om te studeren, zodat de minister geen grond had om aan het verblijf van betrokkene in Nederland te twijfelen. De enige grief faalt.

Het incidenteel hoger beroep van betrokkene

4.       Uit artikel 83c, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, volgt dat geen incidenteel hoger beroep kan worden ingesteld in een hoger beroep over een terugkeerbesluit, als dat besluit onderdeel is van een besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Het incidenteel hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie hoger beroepen

5.       Het hoger beroep van betrokkene is ongegrond en het incidenteel hoger beroep van betrokkene is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank.

5.1.    Op 10 oktober 2024 heeft de minister naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 23 mei 2024 een nieuw besluit genomen op het verzoek om heroverweging van het terugkeerbesluit en verwijdering van de SIS-signalering. Ook heeft de minister hangende de hoger beroepen tegen die uitspraak met het besluit van 30 januari 2025 het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2024 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft betrokkene hoger beroep ingesteld, waaraan de Afdeling zaak nr. BRS.26.000333 heeft toegekend.

Gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, worden de besluiten van 10 oktober 2024 en 30 januari 2025 van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Omdat de uitspraak van de rechtbank van 23 mei 2024 is vernietigd, is de rechtsgrondslag aan de besluiten van 10 oktober 2024 en 30 januari 2025, die ter uitvoering van die uitspraak zijn genomen, komen te ontvallen. Deze besluiten komen daarom voor vernietiging in aanmerking.

5.2.    De Afdeling beoordeelt verder nog de beroepen tegen de besluiten van 19 oktober 2023 en 22 april 2024. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

De beroepen van betrokkene tegen de besluiten van 19 oktober 2023 en 22 april 2024

6.       De beroepen van betrokkene gaan over rechtsvragen die eerder door de Afdeling zijn beantwoord (uitspraken van 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4168, onder 7 tot en met 7.4, en ECLI:NL:RVS:2026:4177, onder 4.1 tot en met 4.3, over het evenredigheidsbeginsel in relatie tot de SIS-signalering inzake terugkeer). De beroepen bieden geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.

6.1.    De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie beroep

7.       De beroepen zijn ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;

II.       verklaart het hoger beroep van betrokkene ongegrond;

III.      verklaart het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk;

IV.     vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 mei 2024 in zaak nr. NL23.35855;

V.      vernietigt de besluiten van 10 oktober 2024 en 30 januari 2025, V-[…];

VI.     verklaart de beroepen tegen de besluiten van 19 oktober 2023 en 22 april 2024 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Kolk
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026

347-1111


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon