Uitspraak 202407843/1/R3 en 202407846/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4404
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 september 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke op grond van artikel 110a van de Wet geluidhinder hogere waarden vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Franeker-Nij Fristho". Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft de raad van de gemeente Waadhoeke het bestemmingsplan "Franeker-Nij Fristho" vastgesteld. Het plan maakt de bouw van 20 grondgebonden woningen en 3 woongebouwen met in totaal 52 woningen mogelijk. Het plangebied ligt in het zuidwesten van de bebouwde kom van Franeker op een terrein waar voorheen een schoonmaakbedrijf was gevestigd. Akkerman Investgroup B.V. is eigenaar van de gronden en initiatiefnemer van het plan. [appellante sub 2] en [appellant sub 1] en anderen wonen in de nabijheid van het plangebied. Ten behoeve van het bestemmingsplan heeft het college een besluit hogere waarden genomen. In dit besluit zijn voor het hele plangebied hogere waarden van 56 dB vanwege wegverkeerslawaai en 55 dB(A) vanwege industrielawaai vastgesteld. [appellante sub 2] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1 van de Verordening Romte Fryslân (verordening). Er is voor deze ontwikkeling namelijk geen woonplan opgesteld en ook de schriftelijke instemming van het college van gedeputeerde staten van Fryslân ontbreekt.
- Eerste aanleg - meervoudig
- RO - Friesland
- RO - Geluid
Toon inhoud
202407843/1/R3 en 202407846/1/R3.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Franeker, gemeente Waadhoeke,
2. [appellante sub 2], wonend in Franeker, gemeente Waadhoeke,
appellanten,
en
1. de raad van de gemeente Waadhoeke,
2. het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2024 heeft het college op grond van artikel 110a van de Wet geluidhinder hogere waarden (Wgh) vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Franeker-Nij Fristho".
Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Franeker-Nij Fristho" vastgesteld.
[appellant sub 1] en anderen en [appellante sub 2] hebben tegen beide besluiten beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant sub 1] en anderen, [appellante sub 2], de raad en Akkerman Investgroup B.V. hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaken gevoegd op een zitting behandeld op 26 mei 2026, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.A. Westers, advocaat in Groningen, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. L.M. Blankestijn, advocaat in Leeuwarden, R.L. Snuif, R. Kooistra, P. van der Ploeg en S. van der Zwaag, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Akkerman Investgroup B.V., vertegenwoordigd door mr. F. Gietema-van der Heide, advocaat in Leeuwarden, en [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
OVERGANGSRECHT INWERKINGTREDING OMGEVINGSWET
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Op 1 januari 2024 is ook de Aanvullingswet geluid Omgevingswet in werking getreden. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5198, is overwogen, blijft op een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones langs wegen - behoudens provinciale wegen - het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk is. Maar dan moet die hogere waarde wel zijn vastgesteld ten behoeve van een besluit waarvoor een aanvraag is ingediend of waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
In de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024 is tevens overwogen dat op een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones rond industrieterreinen het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing blijft tot het besluit onherroepelijk is. Maar dan moet die hogere waarde wel zijn vastgesteld ten behoeve van een besluit waarvoor een aanvraag is ingediend of waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd vóór het tijdstip waarop de onder artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet bedoelde besluiten tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden in werking zijn getreden.
De hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones langs wegen en rond industrieterreinen zijn vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Franeker-Nij Fristho". Het ontwerp van dit bestemmingsplan is op 20 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat zowel op de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan als op het besluit tot vaststelling van de hogere waarden het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Crisis- en herstelwet (Chw) en de Wgh, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
INLEIDING
2. Het plan maakt de bouw van 20 grondgebonden woningen en 3 woongebouwen met in totaal 52 woningen mogelijk. Het plangebied ligt in het zuidwesten van de bebouwde kom van Franeker op een terrein waar voorheen een schoonmaakbedrijf was gevestigd. Akkerman Investgroup B.V. is eigenaar van de gronden en initiatiefnemer van het plan. [appellante sub 2] en [appellant sub 1] en anderen wonen in de nabijheid van het plangebied.
Ten behoeve van het bestemmingsplan heeft het college een besluit hogere waarden genomen. In dit besluit zijn voor het hele plangebied hogere waarden van 56 dB vanwege wegverkeerslawaai en 55 dB(A) vanwege industrielawaai vastgesteld.
VERZOEKEN OP GROND VAN DE WET OPEN OVERHEID
3. De beroepsgronden van [appellante sub 2] die zien op de afhandeling van haar verzoeken op grond van de Wet open overheid kunnen alleen in een procedure over die verzoeken aan de orde komen en dus niet in deze procedures over het bestemmingsplan en het besluit tot vaststelling van hogere waarden. Op die gronden gaat de Afdeling dan ook niet in.
NIEUWE BEROEPSGRONDEN
4. In nadere stukken, ontvangen op 19 mei 2025 en 13 april 2026, heeft [appellante sub 2] beroepsgronden naar voren gebracht over het cultureel-historisch karakter, externe veiligheid en bezwaren van het Wetterskip Frsylân. In haar beroepschrift heeft [appellante sub 2] geen beroepsgronden aangevoerd over deze aspecten. Op grond van artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de beroepstermijn geen gronden meer worden aangevoerd. Dat betekent dat de Afdeling niet toekomt aan een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgronden.
RELATIVITEITSVEREISTE
5. [appellant sub 1] en anderen betogen dat niet wordt voldaan aan de richtafstand van 50 m uit de Brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de VNG tussen het bedrijf Oostwoud International B.V. en het plangebied en dat voor de bodem een saneringsverplichting geldt die ten onrechte niet met een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan is geborgd. [appellante sub 2] betoogt verder dat gebreken kleven aan het akoestisch onderzoek. Daarnaast voeren [appellante sub 2] en [appellant sub 1] en anderen gronden aan die zien op het besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden.
5.1. In artikel 8:69a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
5.2. De Afdeling heeft onder 10.6 van haar overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, het volgende overwogen. De norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover deze ziet op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een woning, beschermt ook de belangen van betrokken bedrijven als Oostwoud International B.V. bij een ongestoorde uitoefening van hun bedrijf. Maar [appellant sub 1] en anderen vertegenwoordigen niet het bedrijf Oostwoud International B.V. Voor zover de norm van een goede ruimtelijke ordening wordt ingevuld met de richtafstanden uit de VNG-brochure, strekt die norm daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1] en anderen. Het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan vernietiging van het besluit vanwege deze beroepsgrond. Daarom bespreekt de Afdeling deze beroepsgrond niet inhoudelijk.
5.3. De Afdeling heeft voorts onder 10.98 van haar overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste het volgende overwogen. De normen uit de Wet bodembescherming strekken tot bescherming van de kwaliteit van de bodem. Zij strekken niet tot bescherming van een appellant die zich beroept op het belang dat hij gevrijwaard blijft van nadelige gevolgen van een bestemmingsplan voor zijn woon- en leefklimaat, aldus de overzichtsuitspraak. Gelet hierop strekken de normen uit de Wet bodembescherming kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1] en anderen. Het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan vernietiging van het besluit vanwege deze beroepsgrond. Daarom bespreekt de Afdeling deze beroepsgrond niet inhoudelijk.
5.4. Daarnaast heeft de Afdeling onder 10.12 van haar overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste het volgende overwogen. Een appellant die een besluit aanvecht tot vaststelling van een bestemmingsplan dat de oprichting van een of meer woningen in het uitzicht van zijn woning mogelijk maakt en die zich beroept op bescherming van zijn woon- en leefklimaat, kan zich om vernietiging van dat besluit te bewerkstelligen in beginsel niet succesvol beroepen op het niet in acht nemen van de normen van de Wgh voor zover het betreft de geluidbelasting ter hoogte van de op te richten woning of woningen. Een appellant kan zich ook niet beroepen op de mogelijke gevolgen van de geluidbelasting vanwege het wegverkeer voor het woon- en leefklimaat bij de nieuw te bouwen woning. Hij beroept zich dan op aspecten van de norm van een goede ruimtelijke ordening, als neergelegd in artikel 3.1 van de Wro, die in dat geval niet zien op bescherming van zijn belangen, aldus de overzichtsuitspraak.
In het akoestisch onderzoek dat volgens [appellante sub 2] gebreken vertoont, is de geluidsbelasting ter plaatse van de voorziene woningen onderzocht. De bepalingen in de Wgh en de norm van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van de voorziene woningen, strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellante sub 2]. Het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan vernietiging van het besluit vanwege deze beroepsgrond. Daarom bespreekt de Afdeling deze beroepsgrond niet inhoudelijk.
5.5. Verder heeft de Afdeling onder 10.93 tot en met 10.95 van haar overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste het volgende overwogen. De regeling in de Wgh op grond waarvan hogere waarden voor woningen kunnen worden vastgesteld, strekt tot bescherming van de bewoners van deze woningen. [appellante sub 2] en [appellant sub 1] en anderen zijn geen eigenaren dan wel bewoners van één van de woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld en niet is gebleken van concrete interesse in de koop en/of bewoning van een van de woningen. Verder kan, anders dan [appellant sub 1] en anderen onder verwijzing naar de korte afstand tussen hun woningen en de voorziene woningen stellen, hun belang niet worden vereenzelvigd met de belangen van bewoners van de voorziene woning. De hogere geluidgrenswaarden zijn immers enkel vastgesteld voor de woningen in het plangebied en niet voor de woningen van [appellant sub 1] en anderen. Het vorenstaande betekent dat de regeling in de Wgh kennelijk niet strekt tot de bescherming van de belangen van [appellante sub 2] en [appellant sub 1] en anderen. Wat [appellante sub 2] en [appellant sub 1] en anderen aanvoeren, kan niet leiden tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van hogere waarden. De Afdeling zal de beroepsgronden van [appellante sub 2] en [appellant sub 1] en anderen over dit besluit daarom niet inhoudelijk bespreken.
HET BESTEMMINGSPLAN
Toetsingskader
6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Provinciale verordening
7. [appellante sub 2] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1 van de Verordening Romte Fryslân (verordening). Er is voor deze ontwikkeling namelijk geen woonplan opgesteld en ook de schriftelijke instemming van het college van gedeputeerde staten van Fryslân ontbreekt. In dit kader wijst zij erop dat de Afdeling bij uitspraak van 4 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4978) een ander bestemmingsplan van de gemeente Waadhoeke heeft vernietigd wegens het ontbreken van een woonplan en de schriftelijke instemming daarmee van dat college.
7.1. De raad erkent dat uit de uitspraak van 4 december 2024 volgt dat wegens het ontbreken van een woonplan en de schriftelijke instemming van het college van gedeputeerde staten het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1 van de verordening.
7.2. Artikel 1.103 van de verordening luidt:
"Woonplan: een door de gemeenteraad vastgesteld, gemeentelijk dan wel intergemeentelijk plan waarin de behoefte, fasering, aanleg, aantallen woningen en kwaliteit van woningen van woningbouwlocaties voor een bepaalde periode binnen de gemeente of meerdere gemeenten is aangegeven inclusief de relatie met herstructurering van de bestaande woningvoorraad, dat - met uitzondering van de Waddeneilanden - tot stand is gekomen in onderlinge afstemming met gemeenten in de woningbouwregio."
Artikel 3.1.1 van de verordening luidt:
"1. Een ruimtelijk plan kan mogelijkheden voor woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft.
2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan een woningbouwproject bevatten dat niet is opgenomen in een woonplan, indien:
a. het woningbouwproject niet meer dan 3 woningen bevat dan wel, voor zover gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, niet meer dan 11 woningen bevat, en
b. in de plantoelichting is gemotiveerd dat en op welke wijze overschrijding van het woningbouwprogramma van het woonplan kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten."
7.3. De Afdeling stelt vast dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan op 17 oktober 2024 een woonplan en de schriftelijke instemming met het woonplan door het college van gedeputeerde staten, ontbraken. Gelet hierop is het besluit van 17 oktober 2024 genomen in strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, van de verordening.
Het betoog slaagt.
7.4. Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond. Het besluit van 17 oktober 2024 moet worden vernietigd.
Nadere motivering
8. Op 13 maart 2025 heeft de raad het Gemeentelijk woonplan Waadhoeke vastgesteld. Bij brief van 25 maart 2025 heeft het college van gedeputeerde staten ingestemd met het woonplan. Volgens de raad vormen het Gemeentelijk woonplan Waadhoeke en de Woonvisie Waadhoeke 2020-2030 tezamen een woonplan als bedoeld in de verordening.
8.1. Op 3 juli 2025 heeft de raad de toelichting van het bestemmingsplan "Franeker-Nij Fristho" gewijzigd in die zin dat in de paragrafen 3.2, 3.3 en 6.1 wordt verwezen naar het woonplan dat op grond van de verordening verplicht is. Deze wijziging van de toelichting is, anders dan partijen veronderstellen, geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een wijziging van de plantoelichting, die geen onderdeel uitmaakt van het plan en niet juridisch bindend is, is immers niet op rechtsgevolg gericht. Met andere woorden, de juridisch bindende regels en bestemmingen van het bestemmingsplan "Franeker-Nij Fristho" zijn op 3 juli 2025 niet gewijzigd. Dat volgt ook uit de bewoordingen van de beslissing van de raad van 3 juli 2025. Daarin staat dat de raad enkel de toelichting van het bestemmingsplan heeft gewijzigd en dus niet het bestemmingsplan "Franeker-Nij Fristho" integraal opnieuw heeft vastgesteld. Dit betekent dat de wijziging van de plantoelichting moet worden aangemerkt als een nadere motivering.
8.2. [appellante sub 2] heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd tegen deze nadere motivering. Deze beroepsgronden zal de Afdeling nu beoordelen.
Wijziging plantoelichting
9. [appellante sub 2] betoogt dat het op grond van de wet niet mogelijk is om enkel de plantoelichting, die juridisch niet bindend is, te wijzigen. Bovendien worden op deze wijze het doel en de strekking van artikel 8:51a van de Awb misbruikt, aldus [appellante sub 2].
9.1. De Wro staat er niet aan in de weg dat de plantoelichting wordt aangepast. Zoals onder 8.1 is geoordeeld moet de aanpassing van de plantoelichting worden aangemerkt als een nadere motivering. Reeds daarom slaagt het betoog dat de raad niet bevoegd is om enkel de plantoelichting aan te passen, niet.
9.2. Verder bepaalt artikel 8:51a van de Awb dat de bestuursrechter een bestuursorgaan in de gelegenheid kan stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Een bestuursorgaan kan echter een andere motivering aan zijn besluit ten grondslag leggen, ook zonder dat hij daartoe met toepassing van artikel 8:51a van de Awb in de gelegenheid is gesteld.
Het betoog slaagt niet.
Woonplan dateert van na vaststelling bestemmingsplan
10. [appellante sub 2] betoogt verder dat de provinciale verordening voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan een beleidsmatige onderbouwing in de zin van een woonplan vereist en dat het ontbreken hiervan nadien niet kan worden hersteld. Door dit toch te doen wordt gehandeld in strijd met de rechtszekerheid en ontbreekt de vereiste evenwichtige belangenafweging, aldus [appellante sub 2].
10.1. De bevoegdheid van de raad om een woonplan op te stellen, vloeit voort uit de verordening bezien in samenhang met zijn verantwoordelijkheid op grond van artikel 3.1 van de Wro voor de ruimtelijke ordening binnen de gemeente. Dit betekent dat het aan de raad is om te bepalen of en zo ja op welk moment zij een woonplan opstelt. De raad was dan ook bevoegd om op 13 maart 2025 een woonplan vast te stellen. Anders dan [appellante sub 2] betoogt is het niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vereiste van een evenwichtige belangenafweging dat de raad, nadat het bestemmingsplan is vastgesteld met het oog op de mogelijkheid van de Afdeling om de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit in stand te laten, een woonplan opstelt, schriftelijke instemming van het college van gedeputeerde staten verkrijgt en een nadere motivering geeft. In dit kader is van belang dat de Afdeling de rechtsgevolgen van een besluit in stand kan laten als een bestuursorgaan vasthoudt aan het besluit, het gebrek herstelt en de andere partijen zich daarover in voldoende mate hebben kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na het herstellen van het gebrek de rechterlijke toets kan doorstaan.
Het betoog slaagt niet.
Vertrouwensbeginsel
11. [appellante sub 2] betoogt verder dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat zij als direct omwonende mocht verwachten dat haar belangen eerlijk zouden worden meegewogen bij de beslissing van 3 juli 2025.
11.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. [appellante sub 2] heeft enkel verwezen naar haar eigen verwachtingen, maar geen toezegging of uitlating van een bestuursorgaan genoemd. Reeds daarom slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.
Participatie
12. Voorts betoogt [appellante sub 2] dat de beslissing van 3 juli 2025 in strijd is met de wet nu geen inspraakprocedure is gevolgd en geen ontwerp van deze beslissing ter inzage is gelegd.
12.1. Zoals hiervoor onder 8.1 is overwogen is de beslissing van 3 juli 2025 tot wijziging van de plantoelichting geen besluit. Daarom is gelet op artikel 3:10, eerste lid, van de Awb de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in artikel 3.4 van de Awb niet van toepassing. Er bestond dus niet de verplichting om overeenkomstig artikel 3:11 van de Awb een ontwerp van deze beslissing ter inzage te leggen. Evenmin verplicht de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Waadhoeke houdende regels omtrent de wijze waarop inwoners en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (Inspraakverordening Waadhoeke) ertoe om in dit geval inspraak te bieden nu daarin staat dat de raad telkens de keuze maakt of inbreng van inwoners en belanghebbenden plaatsvindt en via welke weg. De raad heeft er in dit geval voor gekozen om geen inspraakmogelijkheid te bieden aan inwoners en belanghebbenden.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie met betrekking tot beroepsgronden betreffende de nadere motivering
13. Nu vorenstaande beroepsgronden niet slagen, is met de vaststelling van het Gemeentelijk woonplan Waadhoeke, dat samen met de Woonvisie Waadhoeke 2020-2030 een woonplan vormt als bedoeld in de verordening, de instemming hiermee door het college van gedeputeerde staten, en de verwijzing hiernaar in de toelichting van het bestemmingsplan het gebrek in het besluit van 17 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan hersteld. De Afdeling zal nu de overige beroepsgronden tegen dit besluit beoordelen. Onder 33 zal de Afdeling vervolgens beoordelen of de nadere motivering aanleiding geeft de rechtsgevolgen van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in stand te laten.
Participatie
14. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het bestemmingsplan een zogenoemd Groot Plan is in de zin van het Participatiebeleid Omgevingswet gemeente Waadhoeke van 21 januari 2025 en dat het bestemmingsplan is voorbereid in strijd met de hierin opgenomen participatieverplichtingen.
14.1. Dit betoog slaagt niet, reeds omdat het Participatiebeleid Omgevingswet gemeente Waadhoeke van 21 januari 2025 dateert van na de vaststelling van het bestemmingsplan.
Belangenverstrengeling
15. [appellante sub 2] betoogt dat er tussen de raad en Akkerman Investgroup B.V. sprake is van belangenverstrengeling. In dit kader heeft [appellante sub 2] benoemd dat op het terrein van Akkerman Investgroup B.V. zonder vergunning een billboard is geplaatst met daarop een advertentie van de politieke partij Gemeentebelangen, die in de raad zit. Verder wijst [appellante sub 2] onder meer op een werkbezoek van de fractie van Gemeentebelangen aan Akkerman Investgroup B.V. en de levering van ICT-diensten aan de gemeente door een ander bedrijf van J.H. Akkerman. Ook betoogt [appellante sub 2] dat de omstandigheid dat wethouder K. Arendz een bestuursfunctie bekleedt bij Hûs en Hiem en dit orgaan adviezen heeft verstrekt over het beeldkwaliteitsplan en andere aspecten van het bestemmingsplan, duidt op belangenverstrengeling.
15.1. In artikel 2:4, eerste lid, van de Awb is vastgelegd dat het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid vervult. In het tweede lid is bepaald dat het bestuursorgaan ertegen waakt dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.
15.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1434, onder 9.2) is in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2:4 van de Awb (Kamerstukken II 1998/99, 21 221, nr. 3, blz. 53-55) benadrukt dat met het eerste lid van dat artikel niet beoogd is dat een bestuursorgaan niet vanuit bepaalde beleidskeuzes zou mogen werken. Het gaat erom dat het de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden. Zoals in de toelichting is opgemerkt, moet de overheid de nodige objectiviteit betrachten en zich niet door vooringenomenheid laten leiden.
15.3. Het bestemmingsplan is vastgesteld op verzoek van Akkerman Investgroup B.V. Zij heeft een ontwerp voor de invulling van het plangebied gemaakt en opdracht gegeven tot het uitvoeren van de benodigde onderzoeken. Dat een bestemmingsplan wordt vastgesteld op verzoek van een initiatiefnemer betekent, anders dan [appellante sub 2] veronderstelt, echter niet dat reeds daarom sprake is van belangenverstrengeling. Voor de vraag of sprake is van belangenverstrengeling zijn immers alleen die omstandigheden relevant die ten grondslag liggen aan de instemming van de raad met het ontwerpbestemmingsplan. De door [appellante sub 2] genoemde omstandigheden duiden er niet op dat de raad bij de besluitvorming vooringenomen is geweest of dat sprake was van belangenverstrengeling. Kortom, niet is gebleken dat de raad zich bij de besluitvorming heeft laten leiden door andere belangen dan die welke bij de besluitvorming betrokken moesten worden op basis van de wettelijke toetsingskaders. Ten overvloede merkt de Afdeling in dit verband op dat de raad op de zitting heeft toegelicht dat de raad het bestemmingsplan unaniem heeft vastgesteld.
Het betoog slaagt niet.
16. Wethouder K. Arendz, die een bestuursfunctie zou bekleden bij Hûs en Hiem, is geen lid van de gemeenteraad. Het gestelde belang van deze wethouder, wat daar verder ook van zij, kan daarom niet leiden tot het oordeel dat de raad artikel 2:4 van de Awb heeft geschonden bij de vaststelling van het plan.
Het betoog slaagt niet.
Ladder van duurzame verstedelijking en provinciaal beleid
17. [appellant sub 1] en anderen betogen dat in de plantoelichting ten onrechte de behoefte aan woningen niet is onderbouwd en dat de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking onvoldoende is gemotiveerd. Dit geldt volgens [appellant sub 1] en anderen eveneens voor het beleid om zorgvuldig met open gebieden om te gaan.
17.1. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is bedoeld uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het bevoegd gezag, dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling, moet beoordelen of het bereikte resultaat optimaal is.
17.2. Naar het oordeel van de Afdeling is het plan niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. In paragraaf 3.3 van de plantoelichting staat dat in de Woonvisie Waadhoeke 2020-2030 de woningbehoefte per kern is bepaald en dat in Franeker ruimte is voor het toevoegen van 55 tot 75 woningen tot 2030. Daarbij is vermeld dat de woonvisie is gebaseerd op een regionaal woningmarktonderzoek. Verder staat in paragraaf 3.1 van de plantoelichting in het kader van de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking dat de ontwikkeling plaatsvindt in bestaand stedelijk gebied, dat behoefte bestaat aan nieuwe woningen en dat daarom wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat de behoefte aan woningen niet is onderbouwd en dat de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking onvoldoende is gemotiveerd, slaagt niet.
17.3. [appellant sub 1] en anderen hebben hun standpunt dat onvoldoende is gemotiveerd dat het plan in overeenstemming is met het beleid om zorgvuldig met open gebieden om te gaan, niet geconcretiseerd. Reeds daarom slaagt dit betoog niet.
Milieueffectrapportage
18. [appellante sub 2] betoogt dat voor een project van deze omvang en impact een uitgebreide milieueffectrapportage (m.e.r.) noodzakelijk is en dat in dit kader een externe deskundige had moeten worden ingeschakeld. In dit verband wijst zij erop dat geen inzicht is gegeven in de cumulatieve milieueffecten van het bestemmingsplan in samenhang met andere projecten in de directe omgeving, zoals de nabijgelegen industriële activiteiten en verkeersintensivering door geplande ontwikkelingen. In de m.e.r. had volgens [appellante sub 2] voorts de impact van het plan op de waterhuishouding, in het bijzonder de afwatering en wateroverlast, moeten worden onderzocht. Verder is het volgens [appellante sub 2] in strijd met de Wet milieubeheer (Wm) dat, vanwege de afwezigheid van een m.e.r., de gezondheidseffecten die samenhangen met luchtkwaliteit, geluidsoverlast en schaduwvorming niet zijn meegenomen. Ten slotte zijn in de m.e.r.-beoordeling ten onrechte geen alternatieven onderzocht, aldus [appellante sub 2].
18.1. Paragraaf 4.11 van de plantoelichting vermeldt dat het bestemmingsplan valt onder een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Daarom is uit hoofde van artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r. een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld in de notitie "Franeker - Nij Fristho, Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling" van RHO Adviseurs van 27 november 2023 (bijlage 8 bij de plantoelichting; aanmeldnotitie). In de aanmeldnotitie staat dat bij de beoordeling rekening dient te worden gehouden met de criteria als opgenomen in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, gewijzigd op 16 april 2014 (Pb EU 2012, L26 en PbEU 2014, L124) (m.e.r.-richtlijn) om te bezien of het plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Geconcludeerd is dat dit niet het geval is. Daarbij wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van de aanmeldnotitie over de effecten van het plan op verschillende milieuaspecten, waaronder onder meer water, geluid, luchtkwaliteit en de menselijke gezondheid. Daaruit volgt dat er geen m.e.r. hoeft te worden doorlopen en geen milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld.
18.2. De aanmeldnotitie is opgesteld door RHO Adviseurs. Dit is een zogenoemde externe deskundige. Het betoog dat ten onrechte geen externe deskundige is betrokken bij de m.e.r.-beoordeling, mist feitelijke grondslag.
In paragraaf 2.2. van de aanmeldnotitie staat dat, voor zover bekend, er geen beoogde ontwikkelingen in de directe omgeving van het plangebied zijn en dat daarom geen sprake is van een cumulatie van milieueffecten vanwege omliggende projecten. [appellante sub 2] heeft niet concreet gemaakt met welke nieuwe ontwikkelingen rekening had moeten worden gehouden bij de beoordeling van de gevolgen van het plan. In dit kader is van belang dat [appellante sub 2] op de zitting heeft volstaan met een verwijzing naar ontwikkelingen die, zoals de raad onweersproken heeft gesteld, ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al waren gerealiseerd dan wel al jaren geleden planologisch waren toegestaan.
Verder heeft [appellante sub 2] niet concreet gemaakt welke van de overige criteria als opgenomen in bijlage III van de m.e.r.-richtlijn die de raad heeft beschouwd, niet of onjuist zijn beoordeeld. Hierbij betrekt de Afdeling dat een onderzoek naar alternatieven, anders dan [appellante sub 2] betoogt, niet is vereist. Ten slotte zijn, zoals onder 18.1 uiteen is gezet, in de aanmeldnotitie de effecten van het plan op onder meer water, geluid, luchtkwaliteit en de menselijke gezondheid beoordeeld. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen reden om de raad niet te volgen in zijn standpunt dat het opstellen van een MER niet is vereist.
Het betoog slaagt niet.
Verkeer
19. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de toename van de verkeersdruk op de Harlingerweg onvoldoende is afgewogen en gemotiveerd. [appellante sub 2] betoogt dat de gevolgen van het plan voor de bereikbaarheid en verkeersveiligheid, in het bijzonder voor fietsers en voetgangers op de Harlingerweg, ten onrechte niet is onderzocht.
19.1. In paragraaf 2.2 van de plantoelichting staat dat de verkeersgeneratie als gevolg van de transformatie van bedrijventerrein naar een woonlocatie niet significant zal toenemen. In dit verband is van belang dat op grond van de parkeernormering uit de CROW - publicatie 744 "Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering" de verkeersgeneratie van het bestaande bedrijventerrein 253 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etmaal) bedraagt. In paragraaf 2.2 van het memo "Stikstofemissie en Depositie" van RHO Adviseurs van 10 oktober 2024, bijlage 4 bij de plantoelichting, staat dat het plan leidt tot ten hoogste 438 mvt/etmaal. De planologische wijziging van bedrijventerrein naar woningbouw leidt dan ook tot een netto toename van ongeveer 185 mvt/etmaal. Op de zitting heeft de raad in dit kader toegelicht dat zij een toename van het aantal mvt/etmaal op gebiedsontsluitingswegen met niet meer dan 10% acceptabel acht.
19.2. Volgens paragraaf 2.2 van het memo "Stikstofemissie en Depositie" zal 90 procent van de motorvoertuigbewegingen plaatsvinden via de Harlingerweg. In paragraaf 4.2 van het rapport "Akoestisch onderzoek Nij Fristho Franeker, Wegverkeerslawaai en industrielawaai" van RHO Adviseurs van 8 november 2023, bijlage 2 bij de plantoelichting, staat dat in de autonome situatie in 2033 op de Harlingerweg sprake zal zijn van 5.977 mvt/etmaal en op de Burgemeester J. Dijkstraweg 5.045 tot 8.035 mvt/etmaal. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat de Harlingerweg en de Burgemeester J. Dijkstraweg gebiedsontsluitingswegen zijn. De capaciteiten van de Harlingerweg bedragen 12.000 mvt/etmaal en van de Burgemeester J. Dijkstraweg, respectievelijk ten noorden en ten zuiden van de Harlingerweg, 20.000 mvt/etmaal en 12.000 mvt/etmaal. Met een toename van 185 mvt/etmaal wordt ruim onder deze capaciteiten gebleven. Gelet hierop heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot belemmeringen in de bereikbaarheid en verkeerssituatie op de omliggende wegen.
Dat in de autonome situatie ervan is uitgegaan dat het bedrijventerrein als zodanig in gebruik is, terwijl dat nu niet het geval is, doet, anders dan [appellante sub 2] betoogt, niet af aan dit oordeel. Het oordeel is immers niet enkel gebaseerd op een vergelijking tussen de verkeersgeneratie van het vorige en huidige planologische regime, maar ook op de capaciteiten in relatie tot de toekomstige intensiteiten van de ontsluitingswegen. Verder volgt de Afdeling niet het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat het toetsingskader voor geluid en stikstof verschilt van een verkeersmodel en dat daarom voor de verkeersgeneratie van het plan niet naar geluid- en stikstofonderzoeken mag worden verwezen. De verkeersgeneratie van het plan is immers enkel afhankelijk van hetgeen planologisch mogelijk wordt gemaakt en niet van de vraag naar welk aspect onderzoek wordt gedaan. Dat volgens [appellant sub 1] en anderen in de uitspraak van 15 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2079) een andersluidend oordeel zou zijn gegeven, berust op een onjuiste lezing van deze uitspraak.
19.3. Gelet op het oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot belemmeringen in de verkeerssituatie op de omliggende wegen en gelet op het feit dat de Harlingerweg gescheiden fiets- en voetgangersstroken heeft, met uitzondering van de laatste 180 m van het oostelijke deel van deze weg, heeft de raad zich tevens op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot verkeersonveilige situaties dan wel een minder goede bereikbaarheid voor fietsers en voetgangers die gebruik maken van de Harlingerweg.
De betogen slagen niet.
Parkeren
20. [appellante sub 2] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat in het bestemmingsplan onvoldoende parkeerplaatsen zijn voorzien. [appellante sub 2] betoogt dat daardoor de parkeerdruk in de omgeving zal toenemen. In dit verband wijst zij erop dat bij de recent uitgevoerde renovatie van de Harlingerweg geen extra parkeerplaatsen zijn opgenomen voor bewoners. [appellant sub 1] en anderen vrezen voorts dat het beoogde groen, dat een belangrijk onderdeel vormt van de ruimtelijke- en beeldkwaliteit van het plan, wordt verrommeld en ingeblikt door parkeervoorzieningen. In dit kader wijzen [appellant sub 1] en anderen erop dat in de planregels over de bestemming "Wonen" geen verplichting voor parkeren op eigen grond is voorgeschreven.
20.1. Artikel 14.1 van de planregels met als titel "Voldoende parkeergelegenheid", luidt:
"a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
b. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van de 'Nota Parkeernormen Gemeente Waadhoeke november 2020', of het meeste actuele gemeentelijke parkeerbeleid zoals deze geldt ten tijde van de aanvraag, bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid;
c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie."
20.2. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd dus pas in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de in het plan voorziene ontwikkelingen aan de orde komt, dient de raad bij de vaststelling van het plan al wel te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom zal de Afdeling hierna beoordelen of op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien, en dat de raad zich om die reden niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling verwijst als voorbeeld naar haar uitspraak van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5459, onder 10.2.
20.3. In paragraaf 2.2 van de plantoelichting staat dat op basis van de Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waadhoek houdende regels omtrent parkeernormen (Nota parkeernormen) voor de voorziene woningen in totaal 118 parkeerplaatsen nodig zijn. Dit is als volgt opgebouwd. Voor de maximaal 12 voorziene grondgebonden koopwoningen in het oostelijke plandeel met de bestemming "Wonen - 2" is een parkeernorm van 1,9 gehanteerd en zijn dus 22,8 parkeerplaatsen vereist. Voor de maximaal 8 voorziene grondgebonden huurwoningen is een parkeernorm van 1,4 gehanteerd en zijn dus 11,2 parkeerplaatsen vereist. Voor de 52 gestapelde woningen is een parkeernorm van 1,6 gehanteerd en zijn dus 83,2 parkeerplaatsen vereist.
Deze parkeerplaatsen kunnen ook worden gerealiseerd. Van de vereiste parkeerplaatsen kunnen er 40 onder en tussen de woongebouwen worden gerealiseerd op het plandeel met de bestemming "Wonen - Woongebouw". Voorts kan op het eigen terrein van de voorziene grondgebonden koopwoningen en van de huurwoningen die op een hoek liggen, in de eigen parkeerbehoefte worden voorzien. Centraal in het plangebied en langs de westelijke toegangsweg wordt voorzien in de resterende parkeerplekken, aldus de plantoelichting.
20.4. De Afdeling overweegt dat de raad zich onder verwijzing naar de berekende parkeerbehoefte op het standpunt heeft kunnen stellen dat de parkeerbehoefte geheel in het plangebied kan worden opgevangen. In dit kader is van belang dat gelet op de artikelen 3.1, 4.1, 6.1 en 7.1 van de planregels ter plaatse van de bestemmingen "Groen", "Verkeer - Verblijfsgebied", "Wonen - 2" en "Wonen - Woongebouw" parkeervoorzieningen zijn toegestaan. Gelet hierop concludeert de Afdeling dat niet op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien in het plangebied. Het betoog dat de parkeerdruk in de omgeving zal toenemen als gevolg van het plan, slaagt dan ook niet.
20.5. Verder volgt de Afdeling niet het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat in het plan had moeten worden verzekerd dat de koopwoningen en hoekwoningen op eigen terrein parkeren zodat wordt voorkomen dat het beoogde groen wordt verrommeld en ingeblikt door het parkeren. Dit wordt immers al voorkomen doordat in artikel 3 van de planregels is bepaald dat ter plaatse van de bestemming "Groen" enkel parkeervoorzieningen zijn toegestaan indien deze ondergeschikt zijn aan de functies groenvoorzieningen, bebossing, wegen en paden en speelvoorzieningen. Het betoog slaagt niet.
20.6. Daarnaast overweegt de Afdeling dat, voor zover de recent uitgevoerde renovatie van de Harlingerweg tot een toename van de parkeerdruk in de omgeving heeft geleid, met dit plan de eventueel bestaande parkeerdruk in de omgeving niet hoeft te worden opgelost.
Het betoog slaagt niet.
Soortenbescherming
21. [appellante sub 2] betoogt verder dat het in strijd is met de Wet natuurbescherming dat in de quickscan "Franeker Harlingerweg 49/49A" van JM Ecologie B.V. van 28 april 2021 (ecologisch onderzoek) geen onderzoek is gedaan naar broedvogels en naar vleermuizen in de schoorsteen. In dit kader wijst zij op de effecten van lichtemissie. Evenmin zijn maatregelen, monitoring of werkprotocollen voorgeschreven, aldus [appellante sub 2].
21.1. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
21.2. In paragraaf 3.2 van het ecologisch onderzoek staat dat de aanwezige bebouwing is gecontroleerd op vleermuisverblijfplaatsen en dat deze niet zijn aangetroffen. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat in het plangebied geen vleermuizen zijn waargenomen. Van verstoring door lichtemissie kan reeds daarom geen sprake zijn.
In het ecologisch onderzoek wordt voorts in verband met het voorkomen van verstoring van broedvogels geconcludeerd dat controles moeten worden gedaan en welke maatregelen moeten worden getroffen tijdens of voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden. Deze aanbevelingen zullen volgens de raad worden nageleefd.
Daarom heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Het betoog slaagt niet.
Luchtkwaliteit
22. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan is aangemerkt als project dat niet in betekende mate bijdraagt en daarom is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden, maar dat in dit kader ten onrechte de ontsluitingsweg en de verkeersfunctie buiten beschouwing zijn gelaten.
22.1. In paragraaf 4.6 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect luchtkwaliteit. Hierin staat dat de realisatie van maximaal 72 woningen ver onder de grenzen blijft van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit). Dit betekent dat het plan niet of slechts in geringe mate invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit voorschrift 3A.2 van bijlage 3a bij deze regeling volgt dat in geval van een woningbouwlocatie met netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen, in geval van één ontsluitingsweg, en netto niet meer dan 3000 woningen, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, sprake is van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hieruit volgt dat ook de ontsluitingswegen worden betrokken bij het al dan niet aanmerken van een plan als project dat niet in betekende mate bijdraagt. Verder duidt de term woningbouwlocatie, anders dan [appellant sub 1] en anderen veronderstellen, niet enkel op woningen maar tevens op de locatie, met inbegrip van bijvoorbeeld wegen om deze woningen te bereiken. Het betoog dat ten onrechte de ontsluitingsweg en verkeersfunctie buiten beschouwing zijn gelaten bij het aanmerken van dit plan als project dat niet in betekende mate bijdraagt, mist gelet hierop feitelijke grondslag.
Veiligheid
23. [appellant sub 1] en anderen wijzen erop dat dichtbij het plangebied een gasstation en aardgastransportleiding zijn gelegen. Zij betogen dat door de dichte en intensieve bebouwing het gevaar op overslag bij een calamiteit naar hun woningen groter is geworden.
23.1. De Afdeling volgt dit betoog niet reeds omdat de planologische en feitelijke bebouwingsmogelijkheden afnemen ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan "Franeker Zuid". Het bestemmingsplan maakt dan ook geen verdichting en/of intensievere bebouwing mogelijk.
Het betoog mist feitelijke grondslag
Water
24. [appellant sub 1] en anderen betogen dat wateroverlast kan ontstaan van de watergang in het oosten van het plangebied en zij achten de veiligheid, kwaliteit en kwantiteit van het water met dit plan onvoldoende afgewogen en geborgd.
24.1. De bestaande watergang in het oosten van het plangebied is bestemd als "Water". Het plandeel met de bestemming "Water" is breder dan de huidige watergang in verband met de keuze om deze watergang te verbreden. Uit paragraaf 4.5 van de plantoelichting volgt dat deze keuze niet samenhangt met de bebouwingsmogelijkheden die het plan biedt, nu de planologische bebouwingsmogelijkheden en feitelijke oppervlakte aan gebouwen en verharding juist afneemt. Daarom is watercompensatie niet nodig, aldus de plantoelichting.
Dat het plan desondanks zal leiden tot wateroverlast, hebben [appellant sub 1] en anderen slechts gesteld maar niet met feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt. Reeds daarom volgt de Afdeling niet het betoog dat de waterkwantiteit met dit plan onvoldoende is afgewogen en geborgd.
Het betoog slaagt niet.
24.2. In paragraaf 4.5 van de plantoelichting staat verder dat de ontwikkeling geen invloed heeft op de waterveiligheid in de omgeving. Daarnaast staat in deze paragraaf onder "Watersysteemkwaliteit en ecologie" dat een gescheiden rioleringsstelsel wordt aangelegd en dat ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem duurzame, niet-uitloogbare materialen worden gebruikt in de bouw- en gebruiksfase. In het niet nader onderbouwde standpunt van [appellant sub 1] en anderen wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de waterveiligheid en waterkwaliteit met het plan onvoldoende zijn afgewogen en geborgd.
Het betoog slaagt niet.
Ontgronding
25. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan niet uitvoerbaar is omdat ontgrond moet worden en de nadelige gevolgen daarvan voor de omgeving ten onrechte niet vooraf in kaart zijn gebracht.
25.1. De wijze waarop de ontgronding moet worden uitgevoerd, is geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. In die procedures komen de gevolgen van de ontgronding voor de omgeving aan de orde. Die procedures staan nu echter niet ter beoordeling. Maar de raad mag het plan niet vaststellen als de raad op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat de benodigde ontgronding aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat de ontgronding nodig is voor de verbreding van de watergang in het oosten van het plangebied. In paragraaf 4.5 van de plantoelichting staat dat deze verbreding op verzoek van het Wetterskip Fryslân in het plan mogelijk is gemaakt. Verder is op verzoek van het Wetterskip Fryslân in de plantoelichting opgenomen dat voor aanpassing van het bestaande watersysteem bij het waterschap een vergunning moet worden aangevraagd. [appellant sub 1] en anderen hebben op de zitting aangegeven dat zij het van groot belang achten dat de verbreding van de watergang wordt uitgevoerd. Verder hebben zij geen feiten of omstandigheden aangevoerd, waaruit voortvloeit dat een dergelijke vergunning niet zal worden verleend. In wat zij hebben aangevoerd, wordt dan ook geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad zich redelijkerwijs niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de benodigde ontgronding niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Het betoog slaagt niet.
Klimaatadaptieve maatregelen
26. [appellante sub 2] betoogt dat het in strijd is met de Omgevingswet en Nationale klimaatadaptatiestrategie dat het bestemmingsplan niet voorziet in klimaatadaptieve maatregelen, zoals waterberging, vergroening en het verminderen van hittestress. In dit kader wijst [appellante sub 2] erop dat onderzocht had moeten worden of verharding van de bodem ertoe leidt dat regenwater minder goed kan infiltreren en wateroverlast ontstaat in omliggende gebieden.
26.1. Zoals hiervoor onder 24.1 is overwogen staat in paragraaf 4.5 van de plantoelichting dat met het plan de planologische bebouwingsmogelijkheden en feitelijke oppervlakte aan gebouwen en verharding afneemt. Verder staat in de plantoelichting dat hierdoor watercompensatie niet nodig is. Toch is ervoor gekozen om de oostelijke waterpartij te verbreden en in verbinding te brengen met de zuidelijke waterpartij, aldus de plantoelichting. Aan deze gronden is de bestemming "Water" toegekend. Bovendien is het planologisch toegestaan om de bestaande waterpartijen in de zuid- en oostzijde van het plangebied te vergroten indien dit uit het oogpunt van droogte/hitte nodig is, aldus paragraaf 4.5 van de plantoelichting. Ook is ongeveer 22 tot 25 procent van het plangebied bestemd als "Groen". Gelet op het vorenstaande mist het betoog van [appellante sub 2] dat het plan leidt tot verharding van de bodem, feitelijke grondslag en bestaat reeds daarom geen grond voor het oordeel dat hiernaar onderzoek had moeten worden gedaan. Verder is, gelet op het vorenstaande, bij de vaststelling van het plan rekening gehouden met een waterberging, vergroening en het verminderen van hittestress. Het betoog van [appellante sub 2] dat hiermee geen rekening is gehouden en dat het plan daarom niet in overeenstemming is met de Nationale klimaatadaptiestrategie, slaagt reeds daarom niet.
26.2. Het betoog dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met de Omgevingswet slaagt niet reeds omdat, zoals hiervoor onder 1 is overwogen, de Omgevingswet niet van toepassing is.
Zonnepanelen
27. [appellant sub 1] en anderen betogen verder dat de hoogte van de voorziene woningen leidt tot een afname van zonlicht op hun zonnepanelen.
27.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3982, onder 7.1, verplicht de huidige regelgeving de raad of het college er niet toe een stedelijke omgeving met bestaande bebouwing zo in te richten dat eigenaren van bestaande gebouwen optimaal gebruik kunnen maken van zonnepanelen. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat vanwege de grote afstand tussen de voorziene woningen en de woningen van [appellant sub 1] en anderen het plan slechts tot een zeer beperkte afname van zonlicht leidt. In dit kader heeft de raad verwezen naar de zonnestudie die in de nota van zienswijzen is opgenomen. Hieruit blijkt dat in de zomerperiode aan het einde van de dag er mogelijk enige schaduwhinder is op de daken van de woningen van [appellant sub 1] en anderen, maar dit heeft volgens de raad niet of nauwelijks invloed op de opbrengst van de zonnepanelen. In de overige periodes van het jaar is er volgens de zonnestudie geen sprake van schaduwhinder. Dit is verder niet betwist. Gelet hierop hoefde de raad aan de afname van zonlicht op de zonnepanelen geen doorslaggevend gewicht toe te kennen bij de vaststelling van het plan.
Het betoog slaagt niet.
Geluid
28. [appellante sub 2] betoogt dat de voorziene woongebouwen verkeersgeluid kunnen reflecteren en versterken richting haar woning en dat dit zal leiden tot een onaanvaardbare geluidbelasting ter plaatse van haar woning.
28.1. In de nota van zienswijzen heeft de raad uiteen gezet dat het plan geen significante gevolgen heeft voor de geluidbelasting op de woningen aan de Harlingerweg. Dit wordt bevestigd in de notitie "Beschouwing reflecties wegverkeer" van DGMR van 8 mei 2026. Hierin staat dat de woningbouw leidt tot een toename van geluid op de gevel van de woning van [appellante sub 2] van ten hoogste 0,3 dB ten opzichte van de situatie dat het plangebied braakliggend terrein zou zijn. Dit is ruim minder dan 2 dB, wat bij een reconstructie van een weg op grond van artikel 99 van de Wgh als acceptabele toename wordt beschouwd. In wat [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen reden voor twijfel aan de uitkomsten van dit onderzoek. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen significante gevolgen heeft voor de geluidbelasting op de woning van [appellante sub 2].
Het betoog slaagt niet.
Woon- en leefklimaat
29. [appellante sub 2] betoogt dat als gevolg van het plan haar woon- en leefklimaat wordt aangetast. In dit kader wijst zij erop dat de woongebouwen tot schaduwwerking, een aantasting van haar privacy en een toename van de geluidbelasting zullen leiden. Ook neemt de leefbaarheid af doordat het plan leidt tot meer verkeersbewegingen, extra parkeerdruk en een toename van de druk op scholen, medische voorzieningen en openbare diensten. [appellante sub 2] wijst er voorts op dat het effect van het plan op de sociale cohesie in de wijk ten onrechte niet is onderzocht.
29.1. [appellant sub 1] en anderen betogen dat als gevolg van de toegestane woningen tegenover hun woningen en als gevolg van de drie voorziene woongebouwen daarachter hun woon- en leefklimaat wordt aangetast. In dit kader wijzen zij op een inperking van hun privacy. Daarnaast wijzen zij erop dat hun rustige leefomgeving met groen en grasland wordt gewijzigd naar intensieve bebouwing in een klein gebied met zeer intensief bewonersgebruik en verkeer.
29.2. Het plangebied en de woningen van [appellante sub 2] en [appellant sub 1] en anderen liggen in de bebouwde kom van Franeker. Het plangebied ligt direct ten zuidoosten van de rotonde Harlingerweg/N384 (Burgemeester J. Dijkstraweg).
Langs de Burgemeester J. Dijkstraweg en dus aan de westelijke zijde van het plangebied zijn drie woongebouwen voorzien. De woning van [appellante sub 2] ligt aan de oostelijke zijde van de Burgemeester J. Dijkstraweg op afstanden van ongeveer 45, 40 en 60 m van de voorziene woongebouwen en haar tuin op afstanden van ongeveer 32, 26 en 34 m. Voor het noordelijke woongebouw geldt een maximum van 20 wooneenheden en een bouwhoogte van 18,5 m. Voor de twee andere woongebouwen geldt een maximum van 16 wooneenheden en een bouwhoogte van 15,5 m.
Aan de oostelijke en zuidelijke zijde van het plangebied zijn grondgebonden woningen toegestaan. De oostelijke plangrens loopt door een watergang. De achtertuinen van [appellant sub 1] en anderen grenzen aan de ene zijde van deze watergang en de tuinen van de 12 voorziene grondgebonden woningen grenzen aan de andere zijde van deze watergang. De afstand tussen de woningen van [appellant sub 1] en anderen, met uitzondering van die van [persoon], en de in het plan voorziene woningen is 25 tot 40 m. De woning van [persoon] aan [locatie] ligt op afstanden van 95 m van de voorziene woningen en 73 m van de plangrens. De maximale goot- en bouwhoogte van de voorziene woningen zijn 7 en 11 m. De drie voorziene woongebouwen liggen op afstanden van 60 tot 85 m van de watergang waaraan de achtertuinen van [appellant sub 1] en anderen, met uitzondering van [persoon], grenzen.
29.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij afweging van de betrokken belangen een groter gewicht mogen toekennen aan het belang van woningbouw ter plaatse dan aan de belangen van [appellante sub 2] en [appellant sub 1] en anderen bij het behouden van de huidige situatie gelet op de aspecten geluid, leefbaarheid, uitzicht, privacy en lichtinval. In paragraaf 3.1.3 van de plantoelichting staat dat in Franeker behoefte bestaat aan 55 tot 75 nieuwe woningen tot 2030. Van belang is allereerst dat met het bestemmingsplan het huidige bedrijventerrein, waar op grond van het bestemmingsplan "Franeker Zuid" bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn toegestaan, wordt getransformeerd naar een woongebied hetgeen in het algemeen een verbetering oplevert voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. Verder bestaat op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling geen recht op vrij uitzicht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1159, onder 10) en evenmin kan in een stedelijk gebied een woonsituatie vrij van enige inkijk worden gegarandeerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2024; ECLI:NL:RVS:2024:2795, onder 5.2).
29.4. Met betrekking tot het woon- en leefklimaat van [appellante sub 2] acht de Afdeling voorts van belang dat hiervoor onder 28.1 is overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen significante gevolgen heeft voor de geluidbelasting op haar woning.
Verder acht de Afdeling van belang dat de woongebouwen met bouwhoogtes van 15,5 en 18,5 m op een afstand van ten minste 40 m van haar woning zijn voorzien. Gelet daarop en gelet op de zeer hoge bomen in haar tuin en de situering van haar voorgevel langs de Harlingerweg zal de inkijk in haar woning en tuin minimaal zijn. Voorts volgt uit de zonnestudie, zoals opgenomen in de nota van zienswijzen, dat het plan nauwelijks tot geen schaduwwerking heeft op haar woning.
29.5. Met betrekking tot het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en anderen acht de Afdeling in aanvulling op wat onder 29.3 is overwogen van belang dat de grondgebonden woningen met een goot- en bouwhoogte van 7 en 11 m zijn voorzien op een afstand van ten minste 25 m van hun woningen. Gelet op deze afstand en de toegestane hoogtes heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat een afschermende groenstrook tussen de voorziene woningen en de woningen van [appellant sub 1] en anderen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk is en dus niet in het plan verzekerd hoefde te worden. Tevens heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat de toegestane bouwhoogtes van 6 m, 5 m en 8 m voor bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn verlaagd ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan en bovendien niet dusdanig hoog zijn dat niet kan worden geoordeeld dat de vaststelling van het plan wat dat betreft niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Franeker Zuid" ter plaatse bedrijfsbebouwing is toegestaan tot 5 m van de perceelsgrens met een bouwhoogte van 7 m en een bebouwingspercentage van 60 procent.
29.6. Bij haar oordeel dat de raad bij afweging van de betrokken belangen een groter gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van woningbouw ter plaatse dan aan de belangen van [appellante sub 2] en [appellant sub 1] en anderen, betrekt de Afdeling in het kader van de gevolgen voor de leefbaarheid in de omgeving ten slotte het volgende. Hiervoor onder 19.2, 19.3 en 20.4 is overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bereikbaarheid voor omwonenden en de verkeersveiligheid op de Harlingerweg gegarandeerd blijven en dat de parkeerdruk in de omgeving niet zal toenemen.
Wat betreft de gevolgen van het plan voor de sociale cohesie in de wijk en voor de druk op scholen, medische voorzieningen en openbare diensten, overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op artikel 3.1 van de Wro kan een bestemmingsplan slechts worden vastgesteld indien het in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad diende in dit geval daarom te beoordelen of de ruimtelijke gevolgen van het plan aanvaardbaar zijn. De sociale cohesie in de wijk is, zoals de raad terecht stelt, een aspect dat niet ruimtelijk relevant is en dat de raad dus niet behoefde te betrekken bij de vaststelling van het plan. Verder is een eventuele aantasting van het voorzieningenniveau, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 oktober 2023; ECLI:NL:RVS:2023:3856, onder 4.3) slechts ruimtelijk relevant indien zich als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal voordoen. Dit doet zich voor indien inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Scholen en openbare diensten kunnen in ieder geval niet tot de eerste levensbehoeften worden gerekend. Als medische voorzieningen daartoe al gerekend zouden moeten worden, wat nog maar de vraag is, overweegt de Afdeling dat [appellante sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat als gevolg van het plan, dat de bouw van 72 woningen mogelijk maakt, het voorzieningenniveau op dit punt duurzaam wordt ontwricht.
29.7. De betogen over het woon- en leefklimaat slagen niet.
Alternatieve invulling van het plangebied
30. [appellante sub 2] betoogt dat onderzoek had moeten worden gedaan naar een alternatieve invulling van het plangebied met minder woongebouwen en meer grondgebonden woningen.
30.1. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen. In de nota van zienswijzen is uiteengezet dat hoogbouw is voorzien omdat hieraan behoefte bestaat in Franeker, het grotere bouwvolume langs de Burgemeester J. Dijkstraweg passend is en het aantal gewenste woningen niet grondgebonden kan worden uitgevoerd. Daarom heeft de raad het door [appellante sub 2] voorgestelde alternatief afgewogen bij de vaststelling van het plan en toereikend gemotiveerd waarom niet voor dat alternatief is gekozen.
Het betoog slaag niet.
Planschade-afhandeling
31. [appellante sub 2] betoogt voorts dat omwonenden planschade zullen claimen en dat deze claims volgens de ontwikkelovereenkomst niet bij Akkerman Investgroup B.V., maar bij een aan haar gelieerd bedrijf moeten worden ingediend. Dit leidt volgens haar tot onzekerheid over de verantwoordelijkheid en afhandeling van de schade. Daarnaast wijst [appellante sub 2] erop dat omwonenden door Akkerman Investgroup B.V. onder druk zijn gezet om een overeenkomst te tekenen met de strekking dat zij afzien van juridische stappen in ruil voor een vast bedrag.
31.1. Naar het oordeel van de Afdeling is het niet aannemelijk dat een eventuele waardevermindering van percelen van omwonenden zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. [appellante sub 2] kan voor de mogelijk negatieve gevolgen die zij ondervindt van het bestreden plan een verzoek om een tegemoetkoming in planschade indienen. Daarvoor bestaat een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3767, onder 11.1). In die procedure kan [appellante sub 2] haar gronden betreffende de afhandeling van een eventueel planschadeverzoek en de procedure die daaraan vooraf is gegaan naar voren brengen.
Het betoog slaagt niet.
Overig
32. De overige beroepsgronden, over de informatieavond en het niet verstrekken van informatie door baliemedewerkers, voor zover die in deze procedure al aan de orde kunnen komen, geven de Afdeling geen aanleiding voor de conclusie dat het besluit tot het vaststellen van het bestemmingsplan gebreken bevat.
In stand laten rechtsgevolgen
33. Zoals hiervoor onder 13 is geoordeeld, slagen de beroepsgronden over de nadere motivering van de raad van 3 juli 2025, niet. Verder is in deze uitspraak geoordeeld dat de overige beroepsgronden tegen het besluit van 17 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan, niet slagen. Daarom ziet de Afdeling in de gegeven nadere motivering aanleiding om de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten.
CONCLUSIE
34. Het beroep van [appellante sub 2] tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is gegrond. Dit besluit moet wegens strijd met artikel 3.1.1 van de Verordening Romte Fryslân worden vernietigd. Zoals hiervoor onder 33 is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van dit besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, in stand te laten. Het bestemmingsplan blijft dus gelden.
35. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is ongegrond.
36. De beroepen van [appellante sub 2] en [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit tot vaststelling van hogere waarden zijn ongegrond.
37. De raad moet de door [appellante sub 2] gemaakte proceskosten vergoeden. Ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen hoeft de raad geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Waadhoeke van 17 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Franeker-Nij Fristho" ongegrond;
II. verklaart het beroep van [appellante sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Waadhoeke van 17 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Franeker-Nij Fristho" gegrond;
III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Waadhoeke van 17 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Franeker-Nij Fristho";
IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder III vermelde besluit geheel in stand blijven;
V. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellante sub 2] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke van 24 september 2024 tot vaststelling van hogere waarden ongegrond;
VI. veroordeelt de raad van de gemeente Waadhoeke tot vergoeding van bij [appellante sub 2] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 349,15;
VII. gelast dat de raad van de gemeente Waadhoeke aan [appellante sub 2] het door haar voor de behandeling van het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Waadhoeke van 17 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Franeker-Nij Fristho" betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Van Kooten-Vroegindeweij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
559
Woningbouw in Franeker
Uitspraak over het bestemmingsplan ‘Franeker - Nij Fristho’ dat de gemeenteraad van Waadhoeke heeft vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw mogelijk van twintig woningen en drie woongebouwen met ruim vijftig woningen. De woningen komen te liggen ten zuidwesten van de bebouwde kom van Franeker op een terrein waar voorheen een schoonmaakbedrijf was gevestigd. Enkele omwonenden zijn het niet eens met het bestemmingsplan en zijn daartegen in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Volgens hen is het bestemmingsplan in strijd met de provinciale verordening, omdat er geen woonplan zou zijn opgesteld en het college van gedeputeerde staten van Fryslân geen instemming heeft verleend. Ook vinden zij dat de gemeente onvoldoende heeft onderbouwd dat er behoefte is aan de woningen en dat de gemeente had moeten onderzoeken wat de gevolgen van het woningbouwplan zijn voor de verkeersveiligheid en het aantal parkeerplaatsen in de omgeving. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 26 mei 2026 op zitting behandeld.