Uitspraak 202601415/2/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3865
- Datum uitspraak
- 3 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- In het besluit van 27 oktober 2022 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel het verzoek van [wederpartijen sub 1] om handhavend op te treden tegen de geuroverlast die zij ondervinden van de vergistingsinstallatie van GGG aan de Kooimaten 3 in Goor afgewezen. De bedrijfsvoering van GGG bestaat uit het vergisten van dierlijke mest en het produceren van groene stroom en warmte. Door het vergisten van dierlijke mest ontstaat biogas, dat na opwaardering naar aardgaskwaliteit kan worden ingevoerd op het aardgasnetwerk. Aan GGG is in 2011 een oprichtingsvergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend en in 2017 een veranderingsvergunning op grond van de Wabo. Aan deze omgevingsvergunningen zijn voorschriften verbonden. De inrichting van GGG is sinds 2017 in werking. Het echtpaar woont op ongeveer 200 meter afstand en zij ervaren al jarenlang geuroverlast, wat de afgelopen jaren tot meerdere juridische procedures heeft geleid.
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202601415/2/R4.
Datum uitspraak: 3 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende de hoger beroepen van onder meer:
het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 maart 2026 in zaak nr. 23/2628 en 23/2679 in het geding tussen:
1. [wederpartij sub 1A] en [wederpartij sub 1B], wonend in [woonplaats],
2. Groen Gas Goor B.V. (GGG), gevestigd in Goor, gemeente Hof van Twente,
en
het college.
Procesverloop
In het besluit van 27 oktober 2022 heeft het college het verzoek van [wederpartijen sub 1] om handhavend op te treden tegen de geuroverlast die zij ondervinden van de vergistingsinstallatie van GGG aan de Kooimaten 3 in Goor afgewezen.
In het besluit van 7 november 2023 heeft het college het door [wederpartijen sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan GGG, onder oplegging van dwangsommen, gelast om de in totaal 14 overtredingen in de inrichting aan Kooimaten 3 in Goor te beëindigen en beëindigd te houden.
In het besluit van 18 december 2023 heeft het college de datum waarna
dwangsommen worden verbeurd voor wat betreft de lastonderdelen 10 en 11 gewijzigd van 1 oktober 2023 in 22 december 2023.
In de besluiten van 2 juli 2024 en 16 juli 2025 heeft het college, voor zover in deze procedure van belang, € 5.000,- en € 1.504.875,- aan dwangsommen ingevorderd bij GGG.
In de uitspraak van 27 maart 2026 heeft de rechtbank de door GGG en [wederpartij sub 1A] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit van 7 november 2023 en ook vier invorderingsbesluiten vernietigd.
Tegen deze uitspraak hebben [wederpartijen sub 1], GGG en het college hoger beroep ingesteld. Ook heeft het college de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[wederpartij sub 1A], GGG en het college hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 23 juni 2026, waar het college, vertegenwoordigd door K. Helmens-van Westenberg, [wederpartijen sub 1], bijgestaan door mr. F.H. Damen, advocaat in Waalwijk, en GGG, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong en mr. C. Kramer, vergezeld door [persoon A], [persoon B] en mr. A.J.M. van Sommeren, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 7 november 2023 heeft het college aan GGG een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
2. De bedrijfsvoering van GGG bestaat uit het vergisten van dierlijke mest en het produceren van groene stroom en warmte. Door het vergisten van dierlijke mest ontstaat biogas, dat na opwaardering naar aardgaskwaliteit kan worden ingevoerd op het aardgasnetwerk. Aan GGG is in 2011 een oprichtingsvergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend en in 2017 een veranderingsvergunning op grond van de Wabo. Aan deze omgevingsvergunningen zijn voorschriften verbonden. De inrichting van GGG is sinds 2017 in werking. Het echtpaar [wederpartijen sub 1] woont op ongeveer 200 meter afstand en zij ervaren al jarenlang geuroverlast, wat de afgelopen jaren tot meerdere juridische procedures heeft geleid.
In deze procedure gaat het om overtreding van de voorschriften 2.4, 2.5, 2.6 en 8.5 van de geldende omgevingsvergunningen. Kort samengevat heeft de rechtbank geoordeeld dat bij al deze voorschriften sprake is van een overtreding en het college bevoegd was om handhavend op te treden. Maar wat betreft de overtredingen van voorschriften 2.4, 2.5 en 2.6 is de rechtbank van oordeel dat de berekening van de hoogte van de opgelegde dwangsommen onvoldoende is gemotiveerd door het college. Wat betreft de overtreding van voorschrift 8.5 oordeelt de rechtbank dat handhavend optreden niet evenredig is. De rechtbank heeft zowel het besluit op bezwaar als de daarmee samenhangende invorderingsbesluiten vernietigd en aan het college de opdracht gegeven om binnen 6 maanden een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
3. Het college heeft aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag gelegd dat door de uitspraak van de rechtbank momenteel geen mogelijkheid bestaat om handhavend op te treden en daarmee naleving door GGG van de voorschriften van haar omgevingsvergunningen af te dwingen. Het gaat het college daarbij in het bijzonder om lastonderdelen 10, 11 en 12 van het vernietigde besluit op bezwaar. Als de uitspraak van de rechtbank niet wordt geschorst wat betreft die lastonderdelen en de bijbehorende invorderingsbesluiten, zullen de eerder geconstateerde overtredingen blijven voortduren met negatieve effecten voor het milieu en geurhinder voor omwonenden zoals [wederpartijen sub 1]. Volgens het college kan dit tot een moeilijk herstelbare of onomkeerbare situatie leiden als de rechtbankuitspraak voor lastonderdelen 10, 11 en 12 niet wordt geschorst en pas later een oordeel over de rechtmatigheid van het handhavend optreden wordt gegeven.
4. Lastonderdeel 10 betreft de overtreding van voorschrift 2.4 en 2.5. In die voorschriften is de maximale hoeveelheid biomassa (36.000 ton per jaar) en maximale hoeveelheid mest (18.000 ton per jaar) vastgelegd die GGG mag verwerken. Die hoeveelheden zijn de afgelopen jaren zo vaak overschreden dat de maximale dwangsom van € 3.000.000,- die in dit lastonderdeel is opgenomen inmiddels is verbeurd. Nu de maximaal bepaalde dwangsom is volgelopen en de last in zoverre is uitgewerkt, leidt het schorsen van de uitspraak van de rechtbank wat betreft die last dus niet tot voorkoming van toekomstige overtredingen door GGG van deze vergunningvoorschriften.
Bovendien is er geen beletsel voor het college om bij (dreigende) nieuwe overtredingen een nieuwe last onder dwangsom op te leggen aan GGG en zodoende alsnog naleving van de omgevingsvergunningen af te dwingen. Anders dan het college veronderstelt, kan hier geen zogenoemde samenloop optreden als de Afdeling in de bodemprocedure de uitspraak van de rechtbank zou vernietigen. Lastonderdeel 10 zou daardoor herleven maar is al uitgewerkt, waardoor een eventuele nieuwe last onder dwangsom geen betrekking heeft op dezelfde overtredingen in hetzelfde tijdvak. Ook in zoverre is voor dit lastonderdeel geen sprake van een spoedeisend belang dat reden geeft tot schorsing van de uitspraak van de rechtbank.
Overigens zou schorsing van de rechtbankuitspraak ertoe leiden dat de dwangsom van € 3.000.000,- alsnog ingevorderd kan worden, terwijl in de bodemprocedure de rechtmatigheid daarvan door de Afdeling nog moet worden beoordeeld. Gezien de rechtbankuitspraak moet de voorzieningenrechter rekening houden met de mogelijkheid dat die dwangsom lager zou kunnen uitvallen. Aan de hoogte van deze dwangsom zijn uitvoerige berekeningen ten grondslag gelegd en de complexiteit daarvan leent zich niet voor een voorlopig oordeel over de juistheid daarvan vooruitlopend op de bodemprocedure. Gezien de hoogte van de dwangsom kan toewijzing van het verzoek leiden tot onomkeerbare gevolgen, namelijk de onmogelijkheid voor GGG om haar bedrijfsactiviteiten voort te zetten.
5. Lastonderdeel 11 betreft de overtreding van voorschrift 2.6. Daarin is de maximale hoeveelheid afvalproducten uit co-substraten (15.000 ton per jaar) vastgelegd die GGG mag verwerken en die hoeveelheid is de afgelopen jaren overschreden. Anders dan bij lastonderdeel 10, is de maximale dwangsom van € 3.000.000,- nog niet volgelopen. De voorzieningenrechter ziet daarin echter geen reden voor schorsing van de uitspraak van de rechtbank wat betreft dit lastonderdeel en het bijbehorende invorderingsbesluit. Hierbij is van belang dat het door de rechtbank geconstateerde gebrek in dit onderdeel van het vernietigde besluit enkel ziet op de berekening van de hoogte van de dwangsom. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom het maken van een nieuwe berekening en het nemen van een nieuw besluit op bezwaar niet op afzienbare termijn zou kunnen gebeuren. Voor zover op de zitting is toegelicht namens het college dat voor die berekeningen informatie van GGG benodigd is, valt niet in te zien waarom dat in de weg staat aan het nemen van een nieuw besluit op bezwaar op korte termijn. Dit temeer nu GGG op de zitting heeft aangegeven dat een deel van die gegevens openbaar is en zij bereid is om eventuele ontbrekende gegevens aan het college binnen één week te verstrekken. Daarbij weegt de voorzieningenrechter ook mee dat de uitspraak van de rechtbank inmiddels 3 maanden geleden is gedaan en het college op de zitting heeft meegedeeld dat in die periode niets is ondernomen om de benodigde informatie te verkrijgen.
Omdat niet is gebleken dat niet op korte termijn aan de uitspraak van de rechtbank kan worden voldaan, volgt de voorzieningenrechter het college ook niet in het standpunt dat daarmee geen mogelijkheid bestaat om naleving door GGG van de omgevingsvergunningen af te dwingen. Gezien het voorgaande bestaat geen spoedeisend belang dat reden geeft voor schorsing van de rechtbankuitspraak.
6. Ook voor lastonderdeel 12, dat gaat over overtreding van voorschrift 8.5, ziet de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang bij een schorsing van de uitspraak van de rechtbank. Hierbij is van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat het college in het besluit van 13 februari 2025 lastonderdeel 12 heeft ingetrokken. De reden hiervoor is dat inmiddels een omgevingsvergunning is verleend voor de afwijkende bedrijfsvoering die leidde tot overtreding van voorschrift 8.5. De rechtbank heeft in de uitspraak van eveneens 27 maart 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:1618, het beroep van [wederpartijen sub 1] tegen die vergunning ongegrond verklaard. Dat betekent dat niet langer sprake is van een overtreding die voortduurt en is er in zoverre ook geen spoedeisend belang aanwezig is bij schorsing van de rechtbankuitspraak.
7. Gezien het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
8. Het college moet de proceskosten van GGG vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij Groen Gas Goor B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.
w.g. Knol
voorzieningenrechter
w.g. Vreugdenhil
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026
571