Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak H01.96.0579

Uitspraak H01.96.0579

ECLI
ECLI:NL:RVS:1997:7
Datum uitspraak
14 juli 1997
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 1 augustus 1994 heeft appellant, behoudens ten aanzien van zijn jaarverslagen vanaf 1985, afwijzend beschikt op het verzoek van [wederpartij], hierna te noemen: [wederpartij], om afschriften op grond van de Wet openbaarheid van bestuur te verstrekken van documenten die betrekking hebben op de aanvraag en het verstrekken van een lening van f 650.000,-- door het Bedrijfsfonds voor de pers aan het Katholiek Nieuwsblad (dan wel de Arnulfus-stichting) in 1985, alsmede op de afwikkeling van die lening.
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

H01.96.0579
Datum uitspraak: 14 juli 1997

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van het Bedrijfsfonds voor de Pers (appellant)

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 26 april 1996 in het geschil tussen:

[wederpartij] te [plaats]

en

appellant

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 1994 heeft appellant, behoudens ten aanzien van zijn jaarverslagen vanaf 1985, afwijzend beschikt op het verzoek van [wederpartij], hierna te noemen: [wederpartij], om afschriften op grond van de Wet openbaarheid van bestuur te verstrekken van documenten die betrekking hebben op de aanvraag en het verstrekken van een lening van f 650.000,-- door het Bedrijfsfonds voor de pers aan het Katholiek Nieuwsblad (dan wel de Arnulfus-stichting) in 1985, alsmede op de afwikkeling van die lening.

Tegen dit besluit heeft [wederpartij] bij schrijven van 9 augustus 1994 een bezwaarschrift bij appellant ingediend.

Bij besluit van 13 oktober 1994 heeft appellant, na [wederpartij] alsnog inzage te hebben gegeven in een aantal krantenknipsels, persberichten en een door appellant aan de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur uitgebracht advies van 18 januari 1985, de bezwaren van [wederpartij] voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [wederpartij] bij schrijven van 7 november 1994 beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, hierna te noemen: de rechtbank.

Bij uitspraak van 26 april 1996, verzonden op 9 mei 1996, reg. nr. AWB 94/10024 BESLU, heeft de rechtbank het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard en het besluit van appellant van 13 oktober 1994 vernietigd.

Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft appellant bij schrijven van 17 juni 1996 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij schrijven van 1 augustus 1996 heeft [wederpartij] een memorie ingediend.

Het hoger beroep is op 21 april 1996 behandeld in een zitting van de Afdeling, waarin appellant, vertegenwoordigd door mr M.B. de Witte-van den Haak, advocaat te Den Haag, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen en hun standpunten hebben toegelicht. Het Katholiek Nieuwsblad heeft zich niet ter zitting laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur, hierna te noemen: de WOB, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een overheidsorgaan of een onder de verantwoordelijkheid van een overheidsorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de WOB blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Appellant heeft het verzoek van [wederpartij] om afschriften van alle stukken die betrekking hebben op de aanvraag en het verstrekken van een lening van f 650.000,-- door het Bedrijfsfonds voor de pers aan het Katholiek Nieuwsblad afgewezen met een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de WOB. Appellant heeft er in dat verband op gewezen dat persorganen die voor financiële steun een beroep doen op het Bedrijfsfonds voor de pers genoodzaakt zijn volledig inzicht te geven in hun financiële situatie. Hieruit moet worden afgeleid of aan de voorwaarden voor kredietverlening of steunverlening is voldaan. Appellant acht het evident dat persorganen gegevens waaruit blijkt dat de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar is, hetgeen immers een voorwaarde is om voor steun in aanmerking te komen, noodgedwongen en uitsluitend op vertrouwelijke basis aan het Bedrijfsfonds verstrekken. Het Bedrijfsfonds hecht er dan ook zeer aan de hoogste mate van vertrouwelijkheid van de verkregen dossiergegevens te kunnen waarborgen.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat van een aantal documenten weliswaar gezegd moet worden dat zij bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de WOB bevatten, doch dat dit niet ten aanzien van alle documenten dan wel die documenten in hun geheel het geval is. Documenten die naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar geen gegevens bevatten als vorenbedoeld, zijn (gedeelten van) documenten die betrekking hebben op de (financiële) voorwaarden waaronder het Bedrijfsfonds voor de pers zich bereid heeft getoond aan belanghebbende financiële steun te verlenen. Ook een groot deel van de zich bij de stukken bevindende begeleidende (aanbiedings)brieven, die zelf geen specifieke gegevens met betrekking tot belanghebbende bevatten, acht de rechtbank tot deze categorie behoren. Naar het oordeel van de rechtbank vallen ook gegevens van financiële aard met betrekking tot belanghebbende, voor zover zij louter de financiële bedrijfsvoering betreffen en daaruit geen analyses zijn te maken met betrekking tot de diverse elementen van de hiervoor weergegeven definitie van bedrijfs- en fabricagegegevens, niet onder de bescherming van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de WOB. De rechtbank komt tot de conclusie dat appellant niet ieder document afzonderlijk in het licht van genoemd artikel van de WOB heeft beoordeeld dan wel dat hij zulks slechts op zeer summiere wijze heeft gedaan. Voorts moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat appellant ten aanzien van de documenten evenmin afzonderlijk heeft vastgesteld of de inhoud ervan zich, gezien artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de WOB, tegen openbaarmaking verzet. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en een deugdelijke motivering ontbreekt en mitsdien genomen is in strijd met artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

Appellant kan zich met deze overwegingen niet verenigen. Ten eerste heeft hij aangevoerd dat naar zijn mening gegevens van louter financiële aard die betrekking hebben op een belanghebbende wel onder de bescherming van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de WOB vallen. In dit verband heeft hij erop gewezen dat de ratio van deze uitzonderingsgrond is dat concurrentieposities niet mogen worden geschaad en dat in de perssector financiële gegevens, van wat voor aard ook, al snel concurrentiegevoelig zijn. Daarbij kan niet alleen gedacht worden aan omzetgegevens maar ook aan gegevens omtrent sponsors.

Verder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat toezeggingsbrieven zeer vertrouwelijke informatie kunnen bevatten. Zo kan, aldus appellant, een bepaalde vorm van totstandkoming van samenwerking voorwaarde zijn voor rentabiliteit en daarmee voor steunverlening. Bekendheid met een dergelijke voorwaarde beïnvloedt de onderhandelingspositie van de belanghebbende. Ook bekendheid met andere, door hem aan de lening gestelde voorwaarden, kan volgens appellant nadelige gevolgen voor het persorgaan met zich brengen. Deze documenten dienden derhalve te worden geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de WOB.

Ten slotte heeft appellant naar voren gebracht dat het dossier van het Katholiek Nieuwsblad doortrokken is van informatie die voor potentiële concurrenten zeer interessant kan zijn zodat het voor hem bijzonder moeilijk is, zo niet onmogelijk, om te schiften in wel en niet concurrentiegevoeligheid en om te beoordelen in welke gevallen de concurrentiegevoeligheid inmiddels verloren is gegaan.

Na met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht kennis te hebben genomen van de in het geding zijnde documenten, overweegt de Afdeling als volgt.

Appellant heeft bij zijn besluit van 13 oktober 1994 weliswaar overwogen dat bepaalde documenten bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten die vertrouwelijk door betrokkene zijn meegedeeld en dat bepaalde documenten informatie bevatten waarvan verstrekking ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de WOB achterwege dient te blijven, doch heeft daarbij nagelaten gemotiveerd aan te geven op welk document welke uitzonderingsgrond van toepassing is. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat, gelijk ook de rechtbank heeft overwogen, dit besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, noch door een deugdelijke motivering wordt gedragen.

Dit leidt de Afdeling tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak in aanmerking komt te worden bevestigd.

Naar aanleiding van hetgeen de rechtbank nader heeft overwogen merkt de Afdeling nog op dat naar haar oordeel niet op voorhand kan worden uitgesloten dat gegevens die louter de financiële bedrijfsvoering van betrokkene betreffen en welke in het kader van de subsidieaanvrage aan een bestuursorgaan zijn verstrekt, onder de in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de WOB genoemde uitzonderingsgrond vallen. Of dat al dan niet zo is, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. In dit verband wijst de Afdeling erop dat een bestuursorgaan, bij beantwoording van de vraag of gegevens vertrouwelijk van aard zijn, de actualiteit daarvan als aspect zal dienen mee te wegen.

Ten aanzien van openbaarmaking van voorwaarden die door een bestuursorgaan aan verstrekking van een lening worden verbonden, overweegt de Afdeling dat ook hier niet volstaan kan worden met een in algemene bewoordingen gestelde verwijzing naar al dan niet onevenredige benadeling van de betrokkene. Het bestuursorgaan dient in het kader van toetsing van een verzoek om informatie aan de WOB met een op het geval toegesneden motivering aan te geven of het bepaalde in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de WOB zich verzet tegen openbaarmaking van de aan een lening gestelde voorwaarden.

In dit verband merkt de Afdeling echter nog op dat voor zover het gaat om voorwaarden die betrekking hebben op lopende en toekomstige contracten met derden, openbaarmaking daarvan een betrokkene onevenredig kan benadelen en tevens derden onevenredig kan bevoordelen. De Afdeling ziet geen aanleiding hierover thans anders te oordelen (vergelijk de uitspraak van de voormalige Afdeling rechtspraak van 21 december 1982, AB 1983, 253).

De Afdeling acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

Recht doende in naam der Koningin:

I.      bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.     veroordeelt het bestuur van het Bedrijfsfonds voor de Pers in de door [wederpartij] ten behoeve van het hoger beroep gemaakte kosten tot een bedrag van f 957,50 waarvan f 710,-- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door het Bedrijfsfonds voor de Pers aan [wederpartij] te worden vergoed.

Aldus vastgesteld door mr C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, mr L. Dorhout en mr A.G van Galen, Leden, in tegenwoordigheid van mr J. Schukking, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek
voorzitter

w.g. Schukking
ambtenaar van staat


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon