Uitspraak BRS.26.002493 en BRS.26.002656
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3788
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 8 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002493 en BRS.26.002656
ECLI:NL:RVS:2026:3788
Datum uitspraak: 2 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 mei 2026 in zaak nr. NL25.61125 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Maalsen, advocaat in Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De grieven 1 en 2 roepen de vraag op of de door de minister gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling met toepassing van WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas van appellant ongeloofwaardig is, en de minister daarbij alle relevante aspecten heeft betrokken, leidt de toepassing van WI 2024/6 in het geval van appellant niet tot een onrechtmatig besluit.
2. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over de uitleg van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3. De grieven van appellant leiden niet tot een gegrond hoger beroep. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept de derde grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
4. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026
1137-918