Uitspraak 202601309/2/R4
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort de omgevingsvergunning van het Circuitpark Zandvoort geactualiseerd. Bij uitspraak van 24 maart 2026 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van de Vereniging Minder Herrie Circuit niet-ontvankelijk verklaard, de overige beroepen gegrond verklaard en het besluit van 30 mei 2024 vernietigd. Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V. exploiteert sinds 1948 het racecircuit in Zandvoort. De exploitatie bestaat uit het jaarrond gebruiken van het circuit met auto's en andere voertuigen voor wedstrijden, trainingen, scholing, demonstraties, recreatie en films- en televisieproducties. Ook vinden grootschalige publieksevenementen plaats zoals de Dutch Grand Prix. Op 12 september 1997 hebben gedupeerde staten een revisievergunning op grond van (het toenmalige) artikel 8.4 van de Wet milieubeheer (Wm) verleend. In die vergunning zijn onder meer geluidsemissiegrenswaarden voor de inrichting van het circuit in Zandvoort neergelegd. De revisievergunning hebben gedeputeerde staten en het college daarna verschillende malen gewijzigd. Deze revisievergunning is inmiddels een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
- Voorlopige voorziening
- Bouwen
- Milieu - Overige
Toon inhoud
202601309/2/R4.
Datum uitspraak: 2 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), hangende de hoger beroepen van:
1. het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (gedeputeerde staten),
2. het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort (het college),
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 maart 2026 in zaak nr. 24/3031, 24/3583, 24/3584, 24/3585, 24/3781, 24/3789 in het geding tussen:
1.Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V., gevestigd in Zandvoort,
2.Vereniging Minder Herrie Circuit, gevestigd in Haarlem en [wederpartij sub 2A] en anderen,
3.Stichting Rust bij de Kust, gevestigd in Haarlem,
4.Stichting Vrienden van Middenduin, gevestigd in Overveen,
5.Stichting Duinbehoud, gevestigd in Leiden,
6. [wederpartij sub 6], wonend te Zandvoort.
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2024 heeft het college de omgevingsvergunning van het Circuitpark Zandvoort geactualiseerd.
Bij uitspraak van 24 maart 2026 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van de Vereniging Minder Herrie Circuit niet-ontvankelijk verklaard, de overige beroepen gegrond verklaard en het besluit van 30 mei 2024 vernietigd.
Tegen deze uitspraak hebben het college en gedeputeerde staten hoger beroep ingesteld.
Tevens hebben het college en gedeputeerde staten de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 18 juni 2026, waar gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. M. van Munster, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.P. Beemster en M. van Tunen, zijn verschenen. Verder is op de zitting Stichting Rust bij de Kust, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], de Stichting Vrienden van Middenduin, vertegenwoordigd door [gemachtigde C], de Vereniging Minder Herrie Circuit en [wederpartij sub 2A] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.A.M. Euverman, advocaat in Amsterdam, [wederpartij sub 2A] en [gemachtigde D], en Exploitatie Circuit Park Zandvoort, vertegenwoordigd door mr. A. Collignon en mr. C.C. van Druten, beiden advocaat in Amsterdam en [gemachtigde E] en [gemachtigde F], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, dan blijft op grond van artikel 4.4, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
Het besluit van het college tot actualisatie van de omgevingsvergunning van het Circuitpark Zandvoort is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit is op 1 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V. exploiteert sinds 1948 het racecircuit in Zandvoort. De exploitatie bestaat uit het jaarrond gebruiken van het circuit met auto's en andere voertuigen voor wedstrijden, trainingen, scholing, demonstraties, recreatie en films- en televisieproducties. Ook vinden grootschalige publieksevenementen plaats zoals de Dutch Grand Prix. Op 12 september 1997 hebben gedupeerde staten een revisievergunning op grond van (het toenmalige) artikel 8.4 van de Wet milieubeheer (Wm) verleend. In die vergunning zijn onder meer geluidsemissiegrenswaarden voor de inrichting van het circuit in Zandvoort neergelegd. De revisievergunning hebben gedeputeerde staten en het college daarna verschillende malen gewijzigd. Deze revisievergunning is inmiddels een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Het college is met het besluit van 30 mei 2024 overgegaan tot actualisatie van de omgevingsvergunning die geldt voor Exploitatie Circuit Park Zandvoort. Daarbij is beoogd te toetsen op het voldoen aan de beste beschikbare technieken en is per milieuaspect aan de hand van opgedane ervaringen beoordeeld of de geldende voorschriften uit de vergunning nog toereikend zijn voor de bescherming van het milieu. Volgens het college is verder een stapeling van vergunningen ontstaan inclusief daarop gebaseerde procedures die, met name ten opzichte van geluid, over verschillende documenten zijn verspreid, waardoor voor bijvoorbeeld het toezicht slecht inzichtelijk is wat geldt. Ook deze stapeling van vergunningen was voor het college aanleiding om tot actualisatie over te gaan. Daarnaast wordt de vergunning met deze actualisatie geschoond van elementen die onder het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen en wordt een betere aansluiting gezocht bij de evenementenvergunning.
De onder 1 tot en met 6 genoemde partijen op het voorblad hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.
De aangevallen uitspraak
3. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 2.4, eerste lid, van de Wabo als hoofdregel heeft bepaald dat burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid. Uit het vijfde lid volgt volgens de rechtbank dat het bevoegd gezag met betrekking tot een geldende omgevingsvergunning beslist op elke aanvraag die betrekking heeft op een project dat zal worden of wordt uitgevoerd op de plaats ten aanzien waarvan die vergunning is verleend. De rechtbank constateert dat beide bepalingen niet van toepassing zijn omdat hier geen sprake is van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, maar van een ambtshalve actualisatie van een reeds verleende omgevingsvergunning.
Vervolgens overweegt de rechtbank dat een actualisatie van een verleende omgevingsvergunning op grond van artikel 2.30 en 2.31 van de Wabo een complementaire (aanvullende) bevoegdheid betreft ten opzichte van de verlening van die vergunning. Oftewel, alleen het bevoegd gezag dat de omgevingsvergunning (de revisievergunning) heeft verleend aan Circuit Zandvoort, kan die vergunning en de daaraan verbonden voorschriften daarna (ambtshalve) aanpassen of intrekken. Onder de Omgevingswet is dit niet veranderd volgens de rechtbank. De rechtbank ziet overigens ook in artikel 2.4, vijfde lid, van de Wabo een bevestiging van haar standpunt. In het geval geen sprake zou zijn geweest van een ambtshalve actualisatie maar van een aanvraag, beslist immers op grond van het vijfde lid ook het bevoegd gezag dat de geldende omgevingsvergunning heeft verleend op elke aanvraag die betrekking heeft op een project dat zal worden of wordt uitgevoerd op de plaats ten aanzien waarvan die vergunning is verleend.
Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat het college niet bevoegd was om ambtshalve tot actualisatie van de door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning van 12 september 1997 en de nadien genomen wijzigingsbesluiten over te gaan.
Het verzoek
4. Het college en gedeputeerde staten hebben de Afdeling verzocht de aangevallen uitspraak te schorsen omdat deze voor onduidelijkheid zorgt over de handhavingsbevoegdheid en ook uitstralende werking heeft naar andere procedures. Daartoe voeren zij aan dat het college wel het bevoegd gezag is om de omgevingsvergunning te actualiseren. Allereerst is daarbij volgens hen van belang dat tot het circuitpark Zandvoort geen IPPC-installatie behoort en dat daardoor de hoofdregel van artikel 2.4, eerste lid, van de Wabo van toepassing is. Daar komt bij dat de wetgever bewust taken die in eerste instantie waren toebedeeld aan gedeputeerde staten na inwerkingtreding van de Wabo heeft laten overgaan naar het college, waarbij in eerste instantie nog een verklaring van geen bedenkingen was vereist van gedeputeerde staten. Daarbij wijzen het college en gedeputeerde staten ook nog op het in artikel 8.2, eerste lid, van de Wabo neergelegde overgangsrecht.
Spoed
5. De voorzieningenrechter kan, gelet op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V heeft zich op het standpunt gesteld dat spoedeisend belang ontbreekt.
6. Het college en gedeputeerde staten zien zich na de aangevallen uitspraak voor de vraag gesteld wie het bevoegd gezag is voor actualisatie van de omgevingsvergunning en het handhavend optreden tegen overtredingen van voorschriften van deze vergunning al dan niet na een concreet verzoek daartoe. In het kader van het toezicht op het gebruik van het circuit heeft het college in het besluit van 30 mei 2024 voorschriften gewijzigd die het college wenst te handhaven terwijl door de aangevallen uitspraak deze voorschriften zijn komen te vervallen. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat spoedeisend belang ontbreekt.
Voorlopig oordeel en belangenafweging
7. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
8. De voorzieningenrechter heeft grote twijfels of het oordeel van de rechtbank dat het college niet bevoegd is over te gaan tot actualisatie van de omgevingsvergunning juist is. Daarbij is van belang dat in artikel 8.2, eerste lid, van de Wabo staat dat indien bij of krachtens een wettelijk voorschrift of door een verandering van een project de bevoegdheid te beslissen op aanvragen om een omgevingsvergunning overgaat naar een ander bestuursorgaan, de voor dat project al verleende omgevingsvergunningen gelijkgesteld worden met omgevingsvergunningen, verleend door dat andere bestuursorgaan. Verder volgt uit artikel 1.2 van de Invoeringswet Wabo dat een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wm die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo van kracht en onherroepelijk is, voorzover voor de betrokken activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1 van die wet is vereist, gelijkgesteld wordt met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit. In dit geval was onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wabo sprake van een onherroepelijke vergunning voor het Circuitpark Zandvoort. Uit artikel 1.2 van de Invoeringswet Wabo volgt dat deze vergunning gelijkgesteld is met een omgevingsvergunning. Uit artikel 8.2, eerste lid, van de Wabo volgt vervolgens dat deze omgevingsvergunning gelijkgesteld is met een omgevingsvergunning verleend door het college. Dit zou dan ook betekenen dat, ervan uitgaande dat geen sprake is van een IPPC-inrichting, het college het bevoegd gezag is om de vergunning te actualiseren op grond van de Wabo.
Hoewel naar voorlopig oordeel het oordeel van de rechtbank niet juist is, ziet de voorzieningenrechter evenwel geen aanleiding een voorziening te treffen. Daarbij is allereerst van belang dat alle onder 1 tot en met 6 ter zitting verschenen partijen te kennen hebben gegeven dat zij liever niet het besluit van 30 mei 2024 zien herleven. Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V. heeft daarover te kennen gegeven dat zij zich juist in het actualisatiebesluit geconfronteerd zag met strengere voorschriften en om die reden een herleving ongewenst vindt. De andere ter zitting van de voorzieningenrechter aanwezige partijen zijn van mening dat de niet geactualiseerde situatie meer grondslag biedt voor handhaving. Het college en gedeputeerde staten hebben hier onvoldoende concrete belangen tegenover gezet die een schorsing van de aangevallen uitspraak rechtvaardigen. De enkele wens van het college om handhavend op te kunnen treden aan de hand van de nieuw gestelde voorschriften is daarvoor onvoldoende omdat het college nog steeds handhavend zou kunnen optreden op basis van soortgelijke voorschriften van de eerder verleende omgevingsvergunning, nog daargelaten dat de primaire reden van de verzoeken om voorlopige voorziening is gelegen in de wens van het college en gedeputeerde staten om duidelijkheid te krijgen over wie als bevoegd gezag heeft te gelden.
Daarbij is ook van belang dat het oordeel van de rechtbank uitsluitend geldt voor deze procedure over deze actualisatie van de voor Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V. geldende omgevingsvergunning en geen bindende betekenis heeft voor andere, toekomstige procedures of besluiten.
Slot en conclusie
9. Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
10. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst de verzoeken af;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort tot vergoeding van bij Stichting Rust bij de Kust in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 58,70;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort tot vergoeding van bij Vereniging Minder Herrie Circuit en [wederpartij sub 2A] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort tot vergoeding van bij Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V., in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Kaajan
voorzieningenrechter
w.g. Vermeulen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026
700