Uitspraak BRS.26.002154
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3756
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 21 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant opgedragen de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 te verlaten (terugkeerbesluit), omdat zijn recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn tijdelijke bescherming na die datum eindigt.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.002154
ECLI:NL:RVS:2026:3756
Datum uitspraak: 2 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 april 2026 in zaak nr. NL24.9414 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant opgedragen de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 te verlaten (terugkeerbesluit), omdat zijn recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn tijdelijke bescherming na die datum eindigt.
Bij besluit van 28 juli 2025 heeft de minister het besluit van 21 februari 2024 ingetrokken en een nieuw terugkeerbesluit genomen.
Bij uitspraak van 3 april 2026 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen die besluiten ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I. Petkovski, advocaat in Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant voert in zijn enige grief uitsluitend aan dat de rechtbank de minister ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door hem gemaakte proceskosten. De grief slaagt. De minister heeft het besluit van 21 februari 2024 namelijk hangende het beroep ingetrokken, omdat het vóór 4 maart 2024 en dus te vroeg was genomen. Hoewel de minister met het besluit van 28 juli 2025, dat met toepassing van artikel 6:19 van de Awb is genomen, materieel niet aan het beroep is tegemoetgekomen, heeft hij met de intrekking van het eerste terugkeerbesluit erkend dat dit besluit in zoverre niet juist was. De intrekking van dat besluit rechtvaardigt daarom een punt voor het instellen van beroep. Daaraan doet niet af dat de rechtbank, nadat zij tot het oordeel was gekomen dat appellant procesbelang had bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024, voor zover dat ging over de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, heeft geoordeeld dat de beroepsgronden daarover niet slagen. Dat leidt er echter wel toe dat aan appellant, anders dan hij stelt, geen punt voor de zitting hoeft te worden toegekend. De zitting was alleen maar nodig voor de inhoudelijke behandeling van de gronden tegen de besluiten van 21 februari 2024 en 28 juli 2025. Tegen het oordeel over die gronden en de beslissing om het beroep ongegrond te verklaren, richt de grief zich niet.
1.1. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank de minister daarin niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten voor het beroep van appellant. De minister moet de proceskosten die de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft toegekend en de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden. De Afdeling past bij de proceskosten voor het hoger beroep een wegingsfactor licht (factor 0,5) toe, omdat het hoger beroep alleen gaat over de proceskostenveroordeling en van eenvoudige aard is.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 april 2026 in zaak nr. NL24.9414, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie niet heeft veroordeeld tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.401,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026
18