Uitspraak 202600905/2/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3773
- Datum uitspraak
- 30 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 11 maart 2026 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gouda het "Definitief plaatsingsbesluit: restafvalcontainers in de Wijk Bloemendaal" (plaatsingsbesluit) vastgesteld. Daarbij is onder meer de locatie ter hoogte van de [locatie] aangewezen voor de plaatsing van één ondergrondse restafvalcontainer (ORAC). Bij het bestreden besluit heeft het college onder meer de locatie ter hoogte van de [locatie] aangewezen voor de plaatsing van één ORAC. [verzoeker] woont aan de [locatie] en is het niet eens met de aanwijzing van de locatie, omdat hij onder meer vreest voor de aantasting van de boom naast de aangewezen locatie. Hij heeft daarom beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om het plaatsingsbesluit in afwachting van een uitspraak in de bodemzaak wat betreft de aanwijzing van de locatie ter hoogte van de [locatie] te schorsen.
- Voorlopige voorziening
- Afval
Toon inhoud
202600905/2/R1.
Datum uitspraak: 30 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in Gouda,
verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van Gouda,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 11 maart 2026 heeft het college het "Definitief plaatsingsbesluit: restafvalcontainers in de Wijk Bloemendaal" (plaatsingsbesluit) vastgesteld. Daarbij is onder meer de locatie ter hoogte van de [locatie] aangewezen voor de plaatsing van één ondergrondse restafvalcontainer (ORAC).
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 23 juni 2026, waar [verzoeker] is verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Bij het bestreden besluit heeft het college onder meer de locatie ter hoogte van de [locatie] aangewezen voor de plaatsing van één ORAC. [verzoeker] woont aan de [locatie] en is het niet eens met de aanwijzing van de locatie, omdat hij onder meer vreest voor de aantasting van de boom naast de aangewezen locatie. Hij heeft daarom beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om het plaatsingsbesluit in afwachting van een uitspraak in de bodemzaak wat betreft de aanwijzing van de locatie ter hoogte van de [locatie] te schorsen.
Spoedeisend belang
3. In zijn verzoekschrift heeft [verzoeker] aangegeven dat er spoedeisend belang is, omdat de ORAC op 21 mei 2026 zal worden geplaatst. Uit het dossier blijkt dat het college per mail heeft aangegeven dat de ORAC op de locatie [locatie] niet zal worden geplaatst "tot er een uitspraak is van de rechter". De voorzieningenrechter acht deze mededeling in dit geval onvoldoende om niet uit te gaan van een spoedeisend belang. Het is niet duidelijk of het college daarmee doelt op de uitspraak van de voorzieningenrechter of dat het college de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure wil afwachten. Als het college doelt op de uitspraak van de voorzieningenrechter, is bovendien niet duidelijk op wat voor termijn de ORAC dan alsnog zal worden geplaatst. Uit de email van het college valt dit niet af te leiden. Verder was het college niet vertegenwoordigd op de zitting, zodat ook daar geen mogelijkheid bestond om hierover duidelijkheid te verkrijgen. Onder die omstandigheden gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat het spoedeisend belang is gegeven en zal hij een voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven.
Inhoudelijke beoordeling verzoek om voorlopige voorziening
4. Het verzoek wordt toegewezen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is namelijk op voorhand aannemelijk dat het plaatsingsbesluit, voor zover dat ziet op de locatie ter hoogte van de [locatie], niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter zal het plaatsingsbesluit, voor zover dat ziet op de aanwijzing van die locatie daarom schorsen. De voorzieningenrechter licht dat hieronder toe.
5. [verzoeker] heeft onder andere betoogd dat de aangewezen locatie ongeschikt is, omdat de ORAC is voorzien onder de kroon van een boom. Dit is volgens hem in strijd is met één van de voorwaarden genoemd in artikel 2, onder 3, van de "Beleidsregels plaatsing afvalcontainers huishoudelijk afval Gouda" (de Beleidsregels) van het college.
5.1. Artikel 2, onder 3, van de Beleidsregels luidt, voor zover van belang:
"[…]
De afvalcontainer mag niet worden geplaatst:
[…]
Onder de kroon van bomen en niet binnen 3 meter buiten de kroon van bomen"
[…].
5.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat de ORAC onder de kroon van een boom is voorzien, op korte afstand van de stam, zoals blijkt uit de kaart in bijlage 9, die deel uitmaakt van het plaatsingsbesluit. Uit de informatie in het dossier blijkt niet waarom het college is afgeweken van de onder 4.1 genoemde regel uit artikel 2, onder 3 van de Beleidsregels en waarom het college dat in dit geval aanvaardbaar heeft geacht. Op de zitting was, zoals hiervoor is beschreven, geen mogelijkheid om het college op dit punt om verduidelijking over deze afwijking van de Beleidsregels te vragen. Gelet op het voorgaande heeft het college naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het plaatsingsbesluit, voor zover het de locatie ter hoogte van de [locatie], ondeugdelijk gemotiveerd. Niet inzichtelijk is immers waarom het college - ondanks de strijd met artikel 2, onder 3, van de beleidsregels - de aangewezen locatie geschikt acht.
6. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gouda van 11 maart 2026, voor zover daarbij de locatie ter hoogte van de [locatie] wordt aangewezen voor de plaatsing van een ORAC;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gouda tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 88,49;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Gouda aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 200,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.
w.g. Knol
voorzieningenrechter
w.g. Tieleman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026
817-1099