Uitspraak 202601639/2/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3737
- Datum uitspraak
- 29 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij beslissing van 23 februari 2026 heeft de examencommissie van het Instituut voor Lerarenopleidingen van de hogeschool Rotterdam het verzoek van [verzoekster] om voor een aantal cursussen binnen de Associate Degree (AD) Educatief Professional Beroepsonderwijs gebruik te mogen maken van een alternatieve toetsvorm toegewezen, in die zin dat, in overleg met de opleiding over de uitwerking ervan, voor de cursussen gebruik kan worden gemaakt van een mondelinge toetsvorm. Bij beslissing van 21 april 2026 heeft het college van beroep voor de examens van het Instituut voor Lerarenopleidingen van de hogeschool Rotterdam het door [verzoekster] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [verzoekster] heeft gekozen voor het uitstroomprofiel Burgerschap, behorend bij de Lerarenopleiding Maatschappijleer. Ook kan [verzoekster] met dit diploma doorstromen naar het derde jaar van die bacheloropleiding. Omdat zij wegens haar medische omstandigheden beperkt belastbaar is, heeft [verzoekster] de examencommissie om een alternatieve toetsvorm verzocht voor de afronding van cursussen.
- Voorlopige voorziening
- Studentenzaken
Toon inhoud
202601639/2/A2.
Datum uitspraak: 29 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], wonend in [woonplaats],
verzoekster,
en
het college van beroep voor de examens van het Instituut voor Lerarenopleidingen van de hogeschool Rotterdam (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 23 februari 2026 heeft de examencommissie van het Instituut voor Lerarenopleidingen van de hogeschool Rotterdam het verzoek van [verzoekster] om voor een aantal cursussen binnen de Associate Degree (AD) Educatief Professional Beroepsonderwijs gebruik te mogen maken van een alternatieve toetsvorm toegewezen, in die zin dat, in overleg met de opleiding over de uitwerking ervan, voor de cursussen gebruik kan worden gemaakt van een mondelinge toetsvorm.
Bij beslissing van 21 april 2026 heeft het CBE het door [verzoekster] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [verzoekster] beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 juni 2026, waar [verzoekster], en het CBE, vertegenwoordigd door mr. A. Sanders, J. Kerstens en M. van Bussel, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [verzoekster] volgt de Associate Degree (AD) Educatief Professional Beroepsonderwijs. De opleiding leidt op tot een educatief professional die de lessen verzorgt, waarbij de eindverantwoordelijkheid voor de lessen bij de docent ligt en de educatief professional instructie en begeleiding geeft aan een groep leerlingen. [verzoekster] heeft gekozen voor het uitstroomprofiel Burgerschap, behorend bij de Lerarenopleiding Maatschappijleer. Ook kan [verzoekster] met dit diploma doorstromen naar het derde jaar van die bacheloropleiding.
2. Omdat zij wegens haar medische omstandigheden beperkt belastbaar is, heeft [verzoekster] de examencommissie om een alternatieve toetsvorm verzocht voor de afronding van de cursussen MAADER01X (Democratie en Rechtstaat), MAAPOC01X (Politicologie), MAAEUU02X (Europese Unie) en MAAIN03X (Internationale betrekkingen II), die allemaal een schriftelijk tentamen als toetsvorm hebben. De examencommissie is haar daarin tegemoetgekomen door een in overleg met de opleiding nader te bepalen mondelinge toetsvorm te bieden. Uiteindelijk heeft de opleiding gekozen voor een mondelinge toetsvorm in twee delen. [verzoekster] heeft vervolgens administratief beroep ingesteld, omdat deze toetsvorm, gezien haar medische omstandigheden, geen doeltreffend alternatief zou zijn, omdat die delen elk langer duren dan haar maximale belastbaarheid van vijftien tot twintig minuten.
3. Het CBE heeft overwogen dat de examencommissie haar beslissing zorgvuldig heeft voorbereid. Ook heeft de examencommissie geen onjuiste maatstaf gehanteerd, aangezien met verslagen of versnipperde mondelinge toetsing van kleine hoeveelheden studiestof (per hoofdstuk) onvoldoende kan worden getoetst of kennis is onthouden, kan worden gereproduceerd en toegepast. Zij heeft bovendien voldoende rekening gehouden met de beperkingen van [verzoekster]. Uiteindelijk is van belang dat de examencommissie het eindniveau van de opleiding moet borgen, mede omdat vanuit de opleiding kan worden doorgestroomd naar de bacheloropleiding. Dit is niet in strijd met artikel 7.12 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
4. Hangende haar hoger beroep verzoekt [verzoekster] de voorzieningenrechter om de examencommissie bij wijze van voorlopige voorziening per direct op te dragen om haar een tijdelijke toekenning te verlenen om haar openstaande examens af te leggen middels een aangepast portfolio-assessment, teneinde verdere onherstelbare studievertraging (bovenop de reeds opgelopen 1,5 jaar) en een verdere progressieve toename van medische klachten te voorkomen. De geboden toetsvorm is immers volgens haar acuut medisch onuitvoerbaar en de aanhoudende spanning en de langdurige juridische strijd leiden tot verslechtering van haar medische situatie.
5. De voorzieningenrechter kan in een geval als dit een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist (artikel 8:81 van de Awb). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [verzoekster] geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Hij geeft immers geen definitief oordeel over het hoger beroep. De aanhoudende spanning en langdurige strijd zullen in zoverre dan ook pas voorbij zijn, als de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak. Hoewel het voorkomen van studievertraging een legitiem belang is, is dit belang in dit geval nu niet spoedeisend. [verzoekster] heeft op de zitting bij de voorzieningenrechter namelijk toegelicht dat de examens in de vier cursussen inmiddels zijn geweest en die cursussen pas volgend schooljaar weer worden gegeven. Zij wil waarschijnlijk nogmaals de lessen volgen. Als de uitspraak in oktober komt, is dat ook goed, maar als het langer duurt, komt zij in de problemen voor de eerste examenmogelijkheid. De voorzieningenrechter wijst erop dat de Afdeling voornemens is om het hoger beroep in de bodemzaak op 14 juli 2026 op een zitting te behandelen. Met deze planning is uitspraak in de bodemzaak mogelijk voordat de eerste toetsweek van het volgende studiejaar is begonnen.
7. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
8. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026