Uitspraak 202301525/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3804
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beuningen een verzoek van [verzoeker B] om wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. [verzoeker A] is de (gestelde) zoon van [verzoeker B]. [verzoeker A] en [verzoeker B] staan ingeschreven in de brp op basis van verklaringen die onder ede zijn afgelegd. Zij hebben het college op 28 december 2020 verzocht om hun persoonsgegevens in de brp te wijzigen en aan te vullen. De rechtbank heeft ten aanzien van het verzoek van [verzoeker A] geoordeeld dat, gelet op het overgelegde binnenlands paspoort en de twee geboorteakten, in samenhang bezien met de aanvullende documenten zoals het militair boekje, de uitkomsten van een DNA-onderzoek en een fotovergelijkingsrapportage, buiten redelijke twijfel is dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn en op [verzoeker A] betrekking hebben.
- Hoger beroep
- Basisregistratie
Toon inhoud
202301525/1/A3.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Beuningen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 januari 2023 in zaken nrs. 22/4098 en 22/4099 in het geding tussen:
[verzoeker A] en [verzoeker B],
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2021 heeft het college een verzoek van [verzoeker B] om wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen.
Bij besluit van 26 november 2021 heeft het college een verzoek van [verzoeker A] om wijziging van zijn persoonsgegevens in de brp afgewezen.
Bij twee afzonderlijke besluiten van 14 juli 2022 heeft het college de door [verzoeker A] en [verzoeker B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 januari 2023 heeft de rechtbank de door [verzoeker A] en [verzoeker B] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 14 juli 2022 vernietigd, de besluiten van 3 en 26 november 2021 herroepen, het college opgedragen om binnen vier weken na verzending van de uitspraak de in de brp geregistreerde gegevens van [verzoeker A] en [verzoeker B] te wijzigen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten. Ook heeft de rechtbank het college veroordeeld in de proceskosten van [verzoeker A] en [verzoeker B] en heeft de rechtbank bepaald dat het college het griffierecht aan [verzoeker A] en [verzoeker B] moet vergoeden.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
De gemachtigde van [verzoeker A] heeft te kennen gegeven dat [verzoeker B] is overleden en dat de erven van [verzoeker B] de procedure willen voortzetten. De erven hebben [verzoeker A] gevolmachtigd om hen te vertegenwoordigen in de procedure.
[verzoeker A] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoeker A] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 mei 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. B.P. Koster, M.J. Muller, B. Dekkers en H.S. van Dijk, en [verzoeker A], bijgestaan door mr. D. Gürses, advocaat in Utrecht, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [verzoeker A] is de (gestelde) zoon van [verzoeker B]. [verzoeker A] en [verzoeker B] staan ingeschreven in de brp op basis van verklaringen die onder ede zijn afgelegd. Zij hebben het college op 28 december 2020 verzocht om hun persoonsgegevens in de brp te wijzigen en aan te vullen. Het gaat om de volgende aanvullingen en wijzigingen:
[verzoeker A]
Geslachtsnaam: van [verzoeker A] naar [naam 1]
Voornaam: van [voornaam] naar [voornaam 1]
Geboortedatum: van [geboortedatum] 1966 naar [geboortedatum] 1968
Geboorteplaats: van Yerevan naar Ahavnatum
Nationaliteit: van onbekend naar Oekraïens
Gegevens vader: van onbekend naar [vader 1]
Gegevens moeder: van onbekend naar [moeder 1]
[verzoeker B]
Geslachtsnaam: van [verzoeker B] naar [naam 1]
Voornaam: van [voornaam naar [voornaam 2]
Geboortedatum: van [geboortedatum] 1941 naar [geboortedatum] 1942
Geboorteplaats: van Yerevan naar Aghavnatum
Nationaliteit: van onbekend naar Armeens
Gegevens vader: van onbekend naar [vader 2]
Gegevens moeder: van onbekend naar [moeder 2]
1.1. [verzoeker A] heeft ter onderbouwing van zijn verzoek de volgende documenten overgelegd:
- een van een apostille voorziene en vertaalde geboorteakte, op naam van [naam 1], [voornaam 1] [2de naam], geboren in Ahavnatun (Armenië), opgemaakt op [geboortedatum] 2020 in Chernivtsi (Oekraïne);
- een binnenlands Oekraïens paspoort, met als paspoortnummer […] op naam van [naam 1], [voornaam 1] [2de naam], afgegeven op 23 februari 2010 en daarna weer verlengd op 22 oktober 2013;
- een Armeens militair boekje met als nummer […], afgegeven op 4 november 1986;
- een DNA-verwantschapsonderzoek, uitgevoerd op 23 juni 2020 door Verilabs;
- een afschrift van bijlage 1 van het uitgevoerde DNA-verwantschapsonderzoek met daarin opgenomen een kopie van een Nederlands paspoort dat op naam staat van [naam 2] (de beweerde zus van [verzoeker A]), geboren op [geboortedatum] 1967;
- een gelegaliseerde geboorteakte van [naam 2] (de beweerde zus van [verzoeker A]);
- een gelegaliseerd paspoort van [naam 2] (de beweerde zus van [verzoeker A]);
- een gelegaliseerde Armeense geboorteakte van [moeder 1] (de beweerde moeder van [verzoeker A]);
- een Armeens paspoort van [moeder 1] (de beweerde moeder van [verzoeker A]);
- een brp-uittreksel van de gemeente Beuningen van [moeder 1] (de beweerde moeder van [verzoeker A]);
- een tijdens de bezwaarprocedure overgelegde kopie van een geboorteakte, op naam van [naam 1], [voornaam 1] [voornaam 2], geboren in Aghnvnatun (Armenië), opgemaakt op 31 maart 2022;
- een gezichtsvergelijkend onderzoek, uitgevoerd op 8 december 2020 door Securitech;
- Een tijdens de hogerberoepsprocedure overgelegd internationaal Oekraïens paspoort, met als paspoortnummer […], op naam van [naam 1], [voornaam 1], afgegeven op 15 maart 2010.
1.2. [verzoeker B] heeft ter onderbouwing van zijn verzoek de volgende documenten overgelegd:
- een van een apostille voorziene geboorteakte op naam van [naam 1], [voornaam 2], afgegeven op 11 september 1952;
- een Armeens paspoort, met nummer […], op naam van [naam 1], [voornaam 2], afgegeven op 3 juni 2014;
- een van een apostille voorziene huwelijksakte op naam van [vader 1], waarin staat dat hij gehuwd is met [moeder 1], afgegeven op 12 februari 1982;
- een militair boekje met nummer […] met een daarbij horende vertaling, afgegeven op 12 augustus 1963;
- een DNA-verwantschapsonderzoek uitgevoerd op 23 juni 2020 door Verilabs, waaruit volgt dat [verzoeker B] de biologische vader is van [verzoeker A] en [naam 2];
- een afschrift van bijlage 1 van het uitgevoerde DNA-onderzoek met daarin opgenomen een kopie van een Nederlands paspoort dat op naam staat van [naam 2] (de beweerde dochter van [verzoeker B]), geboren op [geboortedatum] 1967;
- een gelegaliseerde geboorteakte van [naam 2] (de beweerde dochter van [verzoeker B]);
- een gelegaliseerd paspoort van [naam 2] (de beweerde dochter van [verzoeker B]);
- een gezichtsvergelijkend onderzoek, uitgevoerd op 8 december 2020 door Securitech.
Uitspraak rechtbank
2. De rechtbank heeft ten aanzien van het verzoek van [verzoeker A] geoordeeld dat, gelet op het overgelegde binnenlands paspoort en de twee geboorteakten, in samenhang bezien met de aanvullende documenten zoals het militair boekje, de uitkomsten van een DNA-onderzoek en een fotovergelijkingsrapportage, buiten redelijke twijfel is dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn en op [verzoeker A] betrekking hebben.
Ten aanzien van het verzoek van [verzoeker B] heeft de rechtbank allereerst overwogen dat het overgelegde paspoort, hoewel echt bevonden, geen brondocument is. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat de overgelegde huwelijksakte en geboorteakte wel brondocumenten zijn. In samenhang bezien met documenten van aanvullende waarde, te weten het militair boekje, de uitkomsten van een DNA-onderzoek, een fotovergelijkingsrapportage en het paspoort, is volgens de rechtbank buiten redelijke twijfel dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn en op [verzoeker B] betrekking hebben.
De rechtbank heeft gelet op het voorgaande geoordeeld dat het college de verzoeken van [verzoeker A] en [verzoeker B] om wijziging van hun gegevens in de brp had moeten toewijzen.
Voorlopige voorziening Afdeling
3. Bij uitspraak van 14 juni 2023 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij voorlopige voorziening bepaald dat het college de persoonsgegevens van [verzoeker A] en [verzoeker B] niet hoeft te wijzigen, voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Voortzetting procedure [verzoeker B]
4. De gemachtigde van [verzoeker A] heeft te kennen gegeven dat [verzoeker B] is overleden en dat de erven van [verzoeker B] de procedure willen voortzetten. De erven hebben [verzoeker A] gevolmachtigd om hen te vertegenwoordigen in de procedure.
Toetsingskader
5. In haar uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, (overzichtsuitspraak) heeft de Afdeling het beoordelingskader voor rectificatieverzoeken op grond van artikel 2.58 van de Wet brp vernieuwd. De Afdeling zal voor de beoordeling van het hoger beroep uitgaan van dit vernieuwd beoordelingskader. De Afdeling verwijst voor het volledige beoordelingskader naar de overzichtsuitspraak.
Hoger beroep college
[verzoeker A]
6. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het rectificatieverzoek van [verzoeker A] had moeten toewijzen. Volgens het college volgt uit de door [verzoeker A] overgelegde documenten, in onderlinge samenhang bezien, niet buiten redelijke twijfel dat de daarin vermelde gegevens die [verzoeker A] opgenomen wil zien, juist zijn.
Hiertoe voert het college over het binnenlands Oekraïense paspoort, samengevat, aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de daarin vermelde gegevens onjuist zijn. Het college wijst op verschillen in de schrijfwijze van de gegevens in de verschillende overgelegde documenten. Ook acht het college van belang dat de gegevens in de onderliggende geboorteakten uit het systeem van de voormalige Sovjet Unie komen en niet uit het systeem dat landen horen bij te houden en waar volgens het college in beginsel vanuit gegaan kan worden.
Over het in hoger beroep overgelegde en echt bevonden internationale Oekraïense paspoort voert het college aan dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden bij de afgifte daarvan en dat de in het paspoort vermelde gegevens onjuist zijn. Het college wijst er, net als bij het binnenlands paspoort, op dat er kleine verschillen zitten tussen de schrijfwijze van de gegevens op het internationale paspoort en de gegevens in de andere documenten. Ook is het volgens het college onduidelijk hoe [verzoeker A] de Oekraïense nationaliteit heeft verkregen. Verder wijst het college erop dat op het internationale paspoort bij de geboorteplaats twee keer Armenië staat vermeld en niet het geboorteland en de geboorteplaats, zoals vermeld op een voorbeeld van een Oekraïens paspoort dat het college heeft ingezien.
6.1. De gegevens van [verzoeker A] die nu in de brp staan, zijn opgenomen op basis van een verklaring onder ede als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder van de Wet brp. Dit is een e-document. Tussen partijen is niet in geschil dat het voor het verzoek overgelegde binnenlands paspoort van 22 oktober 2013, de twee geboorteakten en het internationale paspoort van 15 maart 2010 brondocumenten zijn als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder c en d van de Wet brp.
6.2. De Afdeling heeft in de overzichtsuitspraak, onder 7.3 en 7.4, overwogen dat in beginsel van de juistheid van de gegevens in een door de bevoegde autoriteit afgegeven paspoort moet worden uitgegaan. Als het college de gegevens uit een echt bevonden paspoort niet wil volgen, zal het aannemelijk moeten maken dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden of de gegevens onjuist zijn. De Afdeling is van oordeel dat het college dit niet aannemelijk heeft gemaakt.
6.3. Over het binnenlands paspoort stelt de Afdeling vast dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat het college de wijze van verkrijging van het binnenlands paspoort niet ongeloofwaardig vindt. Wel voert het college aan dat de in het binnenlands paspoort opgenomen gegevens onjuist zijn. Het college wijst in dit verband allereerst op verschillen in de schrijfwijze van de gegevens in de geboorteakten en beide paspoorten. De Afdeling is van oordeel dat het college daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gegevens in het paspoort onjuist zijn. Op de zitting van de Afdeling is gebleken dat het college slechts de schrijfwijze van de Engelse vertaling van de gegevens van de documenten met elkaar heeft vergeleken en niet de originele cyrillische tekst. Het lag, gelet op de bewijslast die op het college rust, op de weg van het college om hier verder onderzoek naar te doen. Verder heeft het college ook met het betoog dat de gegevens in de onderliggende geboorteakten uit het systeem van de voormalige Sovjet Unie komen niet aannemelijk gemaakt dat de gegevens onjuist zijn. Zoals de Afdeling in de overzichtsuitspraak onder 7.4 heeft overwogen, is het in algemene zin uiten van twijfels over de afgiftepraktijk van het brondocument in de afgevende staat bij een echt bevonden paspoort onvoldoende voor het oordeel dat de daarin vermelde gegevens onjuist zijn.
6.4. Over het betoog van het college ten aanzien van het internationale paspoort overweegt de Afdeling dat het feit dat in het paspoort bij de geboorteplaats twee keer Armenië staat vermeld en niet het geboorteland en de geboorteplaats onvoldoende is om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens in het paspoort. Gelet op de bewijslast die op het college rust, lag het op de weg van het college om contact te zoeken met de Oekraïense autoriteiten om na te gaan of het gebruikelijk is dat op een Oekraïens paspoort ook Armenië bij de geboorteplaats staat vermeld. Over het betoog van het college dat het onduidelijk is hoe [verzoeker A] de Oekraïense nationaliteit heeft verkregen gelet op de periode dat hij zich in Oekraïne heeft gevestigd, overweegt de Afdeling allereerst dat het college de wijze van verkrijging van het binnenlands Oekraïense paspoort niet ongeloofwaardig vindt. Daarnaast volgt uit het Thematisch ambtsbericht staatsburgerschap- en vreemdelingenwetgeving in Moldavië, Oekraïne en Wit-Rusland van 2011 oradat het staatsburgerschap van Oekraïne op aanvraag kan worden verkregen door personen die na 13 november 1991 in Oekraïne een permanente verblijfplaats hebben en die een paspoort (type 1974) hebben van de voormalige Sovjet-Unie, met daarin de door de bevoegde Oekraïense autoriteiten aangebrachte aantekening ‘gromadjanin Oekrajini’ (‘staatsburger van Oekraïne’). Ter zitting heeft [verzoeker A] toegelicht dat hij voorheen een aantekening in zijn paspoort had. Het college heeft niet betwist dat [verzoeker A] met dit type paspoort de Oekraïense nationaliteit heeft verkregen. Met dit betoog heeft het college daarom niet aannemelijk gemaakt dat er bij de afgifte van het internationale paspoort kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden of dat de gegevens onjuist zijn.
6.5. Gelet op het voorgaande volgt uit het nationale en internationale Oekraïense paspoort buiten redelijke twijfel dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn en op [verzoeker A] betrekking hebben (zie ook de overzichtsuitspraak, onder 9). De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college het verzoek van [verzoeker A] om wijziging van zijn geslachtsnaam, voornaam, geboortedatum, geboorteplaats en nationaliteit had moeten toewijzen. Gelet daarop behoeft de hogerberoepsgrond van het college over de geboorteakten geen bespreking meer.
Het betoog slaagt niet.
6.6. [verzoeker A] heeft verder ook verzocht om aanvulling van de gegevens van zijn ouders in de brp. Het college heeft geen hogerberoepsgronden ingediend tegen het oordeel van de rechtbank dat het college de gegevens van de ouders van [verzoeker A] in de brp had moeten aanvullen. Dit oordeel staat daarom in rechte vast.
[verzoeker B]
7. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het rectificatieverzoek van [verzoeker B] had moeten toewijzen. Hiertoe voert het college aan dat uit de door [verzoeker B] overgelegde documenten, in onderlinge samenhang bezien, niet buiten redelijke twijfel volgt dat de daarin vermelde gegevens die [verzoeker B] opgenomen wil zien, juist zijn.
Hiertoe voert het college ten eerste aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [verzoeker B] weliswaar drie brondocumenten, in de vorm van een geboorteakte, huwelijksakte en identiteitskaart, heeft overgelegd, maar dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden bij de afgifte van deze documenten in Armenië. Uit de Algemeen Ambtsberichten Armenië (Ambtsberichten) van 2013 en 2016 volgt namelijk dat fraude met aktes nog steeds voorkomt in Armenië. Over specifiek de identiteitskaart voert het college aan dat het onduidelijk is op welke wijze de daarin vermelde identiteit is onderzocht en vastgesteld.
Het college voert ten tweede aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat niet van de juistheid van de gegevens in de drie brondocumenten kan worden uitgegaan. Er bestaan verschillen tussen de gegevens neergelegd in de geboorteakte, huwelijksakte en de andere overgelegde documenten.
Het college voert ten derde aan dat als gevolg van de uitspraak van de rechtbank de nationaliteit van [verzoeker B] gewijzigd moet worden van ‘onbekend’ naar ‘Oekraïens’, terwijl uit de door [verzoeker B] overgelegde documenten volgt dat hij niet de Oekraïense, maar de Armeense nationaliteit heeft.
7.1. Op de zitting bij de Afdeling heeft het college de hogerberoepsgrond dat geen verband kan worden gelegd tussen de gegevens in de brondocumenten en de gegevens in de aanvullende stukken, ingetrokken.
7.2. De gegevens van [verzoeker B] die nu in de brp staan, zijn opgenomen op basis van een verklaring onder ede als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder van de Wet brp. Dit is een e-document. Tussen partijen is niet in geschil dat de voor het verzoek overgelegde huwelijksakte en geboorteakte twee brondocumenten zijn als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, van de Wet brp. De in de uitspraak van de rechtbank vermelde identiteitskaart kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet worden aangemerkt als brondocument, omdat de identiteitskaart niet bij de stukken zit. Het college heeft op de zitting bij de Afdeling te kennen gegeven dat het college het vermoeden heeft dat de identiteitskaart niet bestaat. Omdat [verzoeker A], als gemachtigde van [verzoeker B], dit niet heeft betwist, gaat de Afdeling er ook van uit dat de identiteitskaart niet bestaat.
Verder is het Armeense paspoort ook geen brondocument, omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat dit geen brondocument is en [verzoeker B] geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld tegen dit oordeel, zodat dit in rechte vaststaat.
7.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de afgifte van de geboorteakte en huwelijksakte. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college dit onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het college heeft namelijk slechts in algemene zin twijfels geuit over de afgiftepraktijk van de huwelijksakte en de geboorteakte door Armenië door te wijzen op frauduleuze praktijken die zich in dit land voordoen, terwijl dit, gelet op de overzichtsuitspraak onder 6, niet voldoende is. Het college heeft wat betreft de afgifte van de huwelijksakte en geboorteakte geen aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheden aangedragen om aannemelijk te maken dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Over het betoog van het college dat er verschillen zitten in de schrijfwijze van de gegevens tussen de verschillende overgelegde documenten, overweegt de Afdeling, net als bij [verzoeker A], dat het college slechts de schrijfwijze van de vertaling van de gegevens met elkaar heeft vergeleken, en niet de originele tekst. Het lag op de weg van het college om hier verder onderzoek naar te doen.
De hogerberoepsgrond van het college over de identiteitskaart kan de Afdeling, gelet op wat zij onder 7.2 heeft overwogen, niet in haar beoordeling meenemen.
7.4. Over de vraag of er een verband kan worden gelegd tussen [verzoeker B] en de gegevens in de huwelijksakten en geboorteakte, is de Afdeling van oordeel dat in ieder geval de geboorteakte betrekking heeft op [verzoeker B]. Uit het DNA-verwantschapsonderzoek volgt dat praktisch is bewezen dat de persoon geïdentificeerd als [verzoeker B] de biologische vader is van de persoon geïdentificeerd als [verzoeker A]. Zoals de Afdeling hiervoor onder 6.1 tot en met 6.6 heeft overwogen, is buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat [verzoeker A] de persoon [voornaam 1] [naam 1] is. En uit de door [verzoeker A] overgelegde geboorteakte volgt dat [voornaam 2] [naam] de vader van [voornaam 1] [naam 1] is. Uit de geboorteakte van [voornaam 1] [naam 1] en het DNA-verwantschapsonderzoek samen volgt dus buiten redelijke twijfel dat [verzoeker B] [voornaam 2] [naam 1] is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college het verzoek van [verzoeker B] om wijziging en aanvulling van zijn persoonsgegevens had moeten toewijzen.
7.5. Over het betoog van het college dat als gevolg van de uitspraak van de rechtbank de nationaliteit van [verzoeker B] gewijzigd zou moeten worden van ‘onbekend’ naar ‘Oekraïens’, overweegt de Afdeling dat de rechtbank het college abusievelijk heeft opgedragen om de nationaliteit van [verzoeker B] van ‘onbekend’ naar ‘Oekraïens’ te wijzigen. De rechtbank had het college gelet op het rectificatieverzoek moeten opdragen om de nationaliteit van ‘onbekend’ naar ‘Armeens’ te wijzigen. Gelet daarop slaagt het betoog van het college.
Conclusie
8. Het hoger beroep van het college is gegrond, omdat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de nationaliteit van [verzoeker B] moet worden gewijzigd van ‘onbekend’ naar ‘Oekraïens’. De uitspraak van de rechtbank moet daarom worden vernietigd, voor zover het de nationaliteit van [verzoeker B] betreft. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het college opdragen om de nationaliteit van [verzoeker B] te wijzigen van ‘onbekend’ naar ‘Armeens’. De uitspraak van de rechtbank zal voor het overige worden bevestigd.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Aangezien het hoger beroep van het college gegrond is, brengt een redelijke toepassing van artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht met zich dat van het college geen griffierecht wordt geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 januari 2023 in zaak nrs. 22/4098 en 22/4099, voor zover de rechtbank het college van burgemeester en wethouders van Beuningen heeft opgedragen om de in de basisregistratie personen geregistreerde nationaliteit van [verzoeker B] te wijzigen van ‘onbekend’ naar ‘Oekraïens";
III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Beuningen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak de in de basisregistratie personen geregistreerde nationaliteit van [verzoeker B] te wijzigen van ‘onbekend’ naar ‘Armeens’;
IV. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. H.J.M. Besselink en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. De Bakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
1031