Uitspraak 202501662/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3711
- Datum uitspraak
- 25 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202501662/1/V2.
Datum uitspraak: 25 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 maart 2025 in zaak nr. NL25.3821 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 18 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Balkenende, advocaat in Assen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In de uitspraak van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1607, onder 7.7-7.10, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister redelijkerwijs tot de vanaf 1 december 2023 geldende wijziging van het beleid voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten (WBV 2023/24) heeft kunnen komen. Wat appellant in de eerste grief aanvoert over de situatie voor Gülenisten in Turkije, heeft de Afdeling bij dat oordeel betrokken en voor zover dit niet het geval is, komt de overgelegde informatie inhoudelijk in essentie overeen met de in die uitspraak betrokken bronnen. Dit leidt daarom niet tot een ander oordeel.
1.1. Wat appellant verder aanvoert over haar individuele omstandigheden, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Hoewel appellant terecht betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt of zij door de geloofwaardig geachte omstandigheden kan worden aangemerkt als "(toegedichte) Gülen-aanhanger" en daarmee onder het onder 1 genoemde beleid valt, leidt dit betoog niet tot het beoogde resultaat. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat appellant bij terugkeer naar Turkije een gegronde vrees voor vervolging heeft.
1.2. De eerste grief slaagt niet.
2. Wat appellant in de tweede grief aanvoert, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026
915-1143