Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202206961/1/R1

Uitspraak 202206961/1/R1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:4873
Datum uitspraak
21 december 2023
Inhoudsindicatie
Het beroep richt zich tegen het niet nemen van een besluit op bezwaar door het college van burgemeester en wethouders van Castricum en, op grond van artikel 6:20 van de Algemene wet Bestuursrecht (hierna: de Awb), van rechtswege tegen het besluit van het college van 26 april 2022, waarbij het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk heeft verklaard. [appellant] voert aan dat het college er ten onrechte van uit is gegaan dat zijn bezwaar is gericht tegen het uitvoeringsbesluit van het college van 15 januari 2013 op grond van de Afvalstoffenverordening 2012 Gemeente Castricum. Volgens [appellant] is zijn bezwaar namelijk gericht tegen de beslissing in de brief van 25 oktober 2021 waarin zijn verzoek tot wijziging van de clusterplaats is afgewezen. Deze beslissing moet volgens [appellant] worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
  • Mondelinge uitspraak
  • Verordeningen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202206961/1/R1.
Datum uitspraak: 21 december 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[appellant], wonend te Castricum,
appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Castricum,
verweerder.

Openbare zitting gehouden op 21 december 2023 om 10:45 uur.

Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. C. Sparreboom
jurist: M.O.W. de Vree LLM

Verschenen:
[appellant].

====================================

Het beroep richt zich tegen het niet nemen van een besluit op bezwaar door het college en, op grond van artikel 6:20 van de Algemene wet Bestuursrecht (hierna: de Awb), van rechtswege tegen het besluit van het college van 26 april 2022, waarbij het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De Afdeling

I.        verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet ontvankelijk;


II.       verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 26 april 2022 gegrond;


III.      vernietigt het besluit van 26 april 2022 waarbij is beslist op het bezwaar van [appellant];


IV.      draagt het college van burgemeester en wethouders van Castricum op om binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;


V.       gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Castricum aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt.

Daartoe overweegt de Afdeling het volgende:

[appellant] stelt zich op het standpunt dat het college niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaarschrift. Omdat het college bij besluit van 26 april 2022 alsnog een besluit op bezwaar heeft genomen, heeft [appellant] echter geen belang meer bij een uitspraak op zijn beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Dat beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk.

[appellant] voert aan dat het college er ten onrechte van uit is gegaan dat zijn bezwaar is gericht tegen het uitvoeringsbesluit van het college van 15 januari 2013 op grond van de Afvalstoffenverordening 2012 Gemeente Castricum. Volgens [appellant] is zijn bezwaar namelijk gericht tegen de beslissing in de brief van 25 oktober 2021 waarin zijn verzoek tot wijziging van de clusterplaats is afgewezen. Deze beslissing moet volgens [appellant] worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: "een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling". Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1061, is een rechtshandeling een handeling die gericht is op enig rechtsgevolg. Rechtsgevolg is het vaststellen, wijzigen of opheffen van een rechtsverhouding.

Bij brief van 15 september 2021 heeft [appellant] het college verzocht de locatie van de clusterplaats zoals aangewezen in het uitvoeringsbesluit te heroverwegen en een nieuwe locatie aan te wijzen. Dit betreft geen verzoek om feitelijk handelen, maar om het nemen van een nieuw besluit, omdat het college de locatie van clusterplaatsen aanwijst door het nemen van een besluit. De bevoegdheid hiertoe is gebaseerd op artikel 10, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening Gemeente Castricum 2012. Het college heeft bij de brief van 25 oktober 2021 medegedeeld de clusterplaats niet te verplaatsen. Deze schriftelijke beslissing van het college is gericht op een rechtsgevolg, namelijk de afwijzing van het verzoek van [appellant]. De brief van 25 oktober 2021 is daarom een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

De termijn voor het maken van bezwaar is zes weken. De afwijzing van het verzoek van [appellant] dateert van 25 oktober 2021 en is, naar moet worden aangenomen, op diezelfde datum verzonden. [appellant] heeft op 2 november 2021 bezwaar tegen deze beslissing gemaakt. [appellant] heeft dus tijdig bezwaar gemaakt. Het college heeft dat niet onderkend en heeft ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 26 april 2022 is gegrond. Dat besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, en artikel 3:2 van de Awb. Het college moet een nieuw besluit op bezwaar nemen binnen de hierboven vermelde termijn. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat [appellant], afgezien van het betalen van griffierecht, proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Sparreboom
griffier

195-1099


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon