Uitspraak 202505894/1/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3797
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 september 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam zijn beslissing om op 19 september 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Rotterdam aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van de bestuursdwang, te weten € 192,00, voor rekening van [appellant] komt. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 19 september 2025 door een toezichthouder is aangetroffen naast een ondergrondse papiercontainer ter hoogte van de Heemraadstraat 7 in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan. [appellant] betwist niet dat de doos van hem afkomstig is, maar hij stelt dat hij niet degene is geweest die de doos naast de papiercontainer heeft geplaatst. [appellant] stelt dat, hoewel de papiercontainer nagenoeg vol was, hij de doos in de papiercontainer heeft geplaatst en de klep op dat moment gewoon sloot.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Afval
Toon inhoud
202505894/1/R4.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2025 heeft het college zijn beslissing om op 19 september 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Rotterdam aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van de bestuursdwang, te weten € 192,00, voor rekening van [appellant] komt.
Bij besluit van 31 oktober 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 19 september 2025 door een toezichthouder is aangetroffen naast een ondergrondse papiercontainer ter hoogte van de Heemraadstraat 7 in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan.
Het beroep en de beoordeling ervan
Is [appellant] tijdens de bezwaarprocedure gehoord?
2. [appellant] betoogt dat hij op 30 oktober 2025 een telefonisch gesprek heeft gehad met een juridisch medewerker van de gemeente, maar dat dit niet als een hoorzitting kan worden gekwalificeerd. [appellant] stelt dat, als hij had geweten dat het telefonische gesprek als hoorzitting was bedoeld, hij zijn bezwaar uitgebreider had gemotiveerd. Een hoorzitting had hem de gelegenheid gegeven om misverstanden weg te nemen en argumenten en tegenwerpingen aan de orde te stellen.
2.1. Het college stelt dat aan [appellant] is meegedeeld dat de hoorzitting telefonisch of op het kantoor kon plaatsvinden, maar dat hij op het door het college toegezonden formulier heeft aangegeven een telefonische hoorzitting te wensen. Doordat [appellant] heeft aangegeven een telefonische hoorzitting te willen, is het beginsel van horen in acht genomen, aldus het college.
2.2. De stelling van [appellant] dat hij niet op de juiste wijze gehoord is, vat de Afdeling op als een betoog dat het college in strijd met artikel 7:2 van de Awb heeft gehandeld. Op grond van artikel 7:2 van de Awb stelt een bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord, voordat het op een bezwaar beslist. Het college heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld op een formulier aan te geven of hij zijn bezwaar wil toelichten en op welke wijze hij dat wil doen. [appellant] heeft vervolgens aangegeven dat als zijn bezwaarschrift zich daartoe leent, hij dit telefonisch wil toelichten. Het college heeft er vervolgens voor gekozen een hoorzitting achterwege te laten en [appellant] telefonisch te horen.
2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen volgt uit artikel 7:2, eerste lid, van de Awb dat een bestuursorgaan, voordat het op een bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid stelt om te worden gehoord. Telefonisch horen is mogelijk indien de belanghebbende daarmee instemt, mits een en ander voldoende zorgvuldig geschiedt. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 13 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3812) en 21 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:837). De Afdeling is niet gebleken dat het college [appellant] voorafgaand aan het gesprek van 30 oktober 2025 ervan op de hoogte heeft gebracht dat het gesprek was bedoeld als telefonisch horen. Daarnaast blijkt uit de stukken die het college heeft overgelegd niet dat het gesprek op een daartoe afgesproken datum en tijdstip plaatsvond. [appellant] hoefde tijdens het gesprek met de medewerker van de gemeente er daarom niet op bedacht te zijn dat hij op dat moment reeds telefonisch werd gehoord. Daarbij is ook van belang dat het college aan de Afdeling geen verslag van het telefoongesprek heeft overgelegd, waardoor de Afdeling niet kan nagaan of bijvoorbeeld aan het begin van het gesprek de mededeling is gedaan dat [appellant] op dat moment werd gehoord. Het college stelt die mededeling wel te hebben gedaan, maar enige onderbouwing van die stelling, bijvoorbeeld door middel van een gespreksverslag, ontbreekt. Gelet hierop komt de Afdeling tot het oordeel dat het college in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld.
Naar het oordeel van de Afdeling is [appellant] echter niet benadeeld door het schenden van de hoorplicht, mede omdat [appellant] in bezwaar wel de mogelijkheid heeft gehad zijn standpunten schriftelijk naar voren te brengen en hij vervolgens bij de Afdeling dit nog uitvoeriger heeft kunnen doen. De Afdeling ziet daarom aanleiding om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Dit betekent dat [appellant] op dit punt wel gelijk heeft, maar dat dit geen gevolgen heeft voor het besluit van 31 oktober 2025.
Het betoog is terecht voorgedragen, maar leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit.
Konden de kosten van de bestuursdwang op [appellant] worden verhaald?
3. [appellant] betwist niet dat de doos van hem afkomstig is, maar hij stelt dat hij niet degene is geweest die de doos naast de papiercontainer heeft geplaatst. [appellant] stelt dat, hoewel de papiercontainer nagenoeg vol was, hij de doos in de papiercontainer heeft geplaatst en de klep op dat moment gewoon sloot. Hij stelt dat er niet valt te reconstrueren wat er daarna is gebeurd, bijvoorbeeld dat iemand zijn eigen papier in de container heeft willen plaatsen en zijn doos er daardoor uit is getrokken en op straat is beland. [appellant] stelt verder dat het college in zijn besluit uitgaat van een onjuist type papiercontainer. Het betreft hier niet een papiercontainer met een zogenoemde invoer-kantelbak constructie, maar een container met een ‘gewone’ klep als opening, aldus [appellant].
3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant] als overtreder kan worden aangemerkt, omdat zijn naam en adresgegevens op de aangetroffen doos staan. De enkele stelling van [appellant] dat hij niet degene is geweest die de doos naast de papiercontainer heeft geplaatst, acht het college onvoldoende om aannemelijk te maken dat hij niet de overtreder is.
3.2. Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden, bijvoorbeeld door middel van een daarin aangetroffen poststuk, mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (het bewijsvermoeden). Voor het mogen hanteren van dit bewijsvermoeden is voldoende dat in het afval één tot de betrokkene te herleiden poststuk is aangetroffen. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, 201702617/1/A1 (ECLI:NL:RVS:2018:2432).
Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert, twijfel wekt over de juistheid van dat vermoeden. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
3.3. Door het adreslabel op de doos die de toezichthouder heeft aangetroffen, is de doos tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat [appellant] de overtreder is, tenzij wat hij aanvoert reden geeft om daaraan te twijfelen.
3.4. De enkele stelling dat een ander de doos uit de papiercontainer heeft verwijderd, is onvoldoende om aan te nemen dat [appellant] niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden. Hoewel [appellant] in beroep op zichzelf terecht heeft aangevoerd dat het college in zijn besluit uit is gegaan van een onjuiste containerconstructie, heeft hij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden. Daarbij is van belang dat [appellant] de doos alleen in de container had kunnen werpen wanneer deze plat zou zijn gevouwen tot een omvang die in de opening past. De foto's van de toezichthouder die zich in het dossier bevinden, wekken gezien de staat van de doos echter niet de indruk dat dit is gebeurd. Wat [appellant] aanvoert is dan ook onvoldoende om te twijfelen aan het bewijsvermoeden dat [appellant] de overtreder is.
Het betoog faalt.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van 31 oktober 2025 in stand blijft en de kosten van de toepassing van bestuursdwang ter hoogte van € 192,00 voor rekening van [appellant] komen en hij deze kosten dus moet betalen.
5. Vanwege het onder 2.3 geconstateerde gebrek moet het college wel het door [appellant] betaalde griffierecht vergoeden. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 53,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
195-1089