Uitspraak 202503482/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3646
- Datum uitspraak
- 18 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- [appellante] heeft op 25 april 2024 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘Doorstroming vanuit opvanginstellingen’ (artikel 5.7 van bijlage 1 bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020).
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Verordeningen
Toon inhoud
202503482/1/A2.
Datum uitspraak: 18 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Rotterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2025 in zaak nr. 24/11047 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Openbare zitting gehouden op 18 juni 2026 om 13:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. O. van Loon
Jurist: mr. A. Wolda
Verschenen:
[appellante], vertegenwoordigd door mr. O.C. Bozbiyik, advocaat in Rotterdam;
het college, vertegenwoordigd door mr. W. Breure.
====================================
[appellante] heeft op 25 april 2024 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘Doorstroming vanuit opvanginstellingen’ (artikel 5.7 van bijlage 1 bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020).
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 augustus 2024 heeft het college deze aanvraag afgewezen.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 22 mei 2025, waarin het beroep tegen het besluit van 26 november 2024 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden
De Afdeling constateert dat [appellante] niet voldoet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring wegens ‘Doorstroming vanuit opvanginstellingen’.
In beroep en hoger beroep heeft [appellante] een beroep gedaan op twee andere urgentiegronden. Het college hoefde deze urgentiegronden in het bestreden besluit niet te beoordelen, omdat de aanvraag daar geen betrekking op had.
De gronden die [appellante] in hoger beroep aanvoert over de toepassing van de hardheidsclausule, heeft zij ook in beroep aangevoerd. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en overweging 3.2 in de uitspraak van de rechtbank.
Daar voegt de Afdeling aan toe dat niet is gebleken van strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ook onder de omstandigheden die zich voordoen, is gezinsleven als bedoeld in deze bepaling mogelijk. Gelet op de grote schaarste op de woningmarkt is er ook geen aanleiding voor het oordeel dat de besluitvorming onevenredig is.
Het hoger beroep is ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
284-1112