Uitspraak BRS.26.002648
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3464
- Datum uitspraak
- 18 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 8 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Ook heeft de minister geweigerd om verzoeker ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of uitstel van vertrek om medische redenen te verlenen, en een terugkeerbesluit genomen.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002648
ECLI:NL:RVS:2026:3464
Datum uitspraak: 18 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], mede voor haar minderjarige kinderen,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 7 mei 2026 in zaak nr. NL25.63655 in het geding tussen:
[verzoeker], mede voor haar minderjarige kinderen
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Ook heeft de minister geweigerd om verzoeker ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of uitstel van vertrek om medische redenen te verlenen, en een terugkeerbesluit genomen.
Bij uitspraak van 7 mei 2026 heeft de rechtbank het door verzoeker daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker, vertegenwoordigd door mr. J.J. de Vries, advocaat in Leeuwarden, hoger beroep ingesteld. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist.
2. Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. De Wilde
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026
598