Uitspraak BRS.26.000143
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3519
- Datum uitspraak
- 19 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag om zijn vrouw en zes kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.000143
ECLI:NL:RVS:2026:3519
Datum uitspraak: 19 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 december 2025 in zaak nr. NL25.39060 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op een aanvraag om zijn vrouw en zes kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 16 december 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de minister opgedragen om een besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van de termijnen in haar uitspraak en de minister veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 226,75.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De in de grieven opgeworpen rechtsvraag over de door de rechtbank uitgesproken proceskostenvergoeding bij een opvolgend beroep, ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit, heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 15 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3409, onder 2. Hieruit volgt dat appellant terecht betoogt dat de rechtbank wegingsfactor 0,5 (licht) en niet 0,25 (zeer licht) had moeten toepassen.
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij onder toepassing van wegingsfactor 0,25, de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 226,75. De Afdeling zal de minister alsnog tot een vergoeding van de proceskosten in beroep veroordelen met toepassing van wegingsfactor 0,5. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Omdat het hoger beroep uitsluitend gericht is tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, en van eenvoudige aard is, merkt de Afdeling de zaak in hoger beroep eveneens als ‘licht’ aan en past zij wegingsfactor 0,5 toe. Het hogerberoepschrift roept ten slotte geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 december 2025 in zaak nr. NL25.39060, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 226,75;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 (€ 467,00 voor het beroep en € 467,00 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 297,00, vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026
958