Uitspraak BRS.26.002466 en BRS.26.002467
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3520
- Datum uitspraak
- 19 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 21 september 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.002466 en BRS.26.002467
ECLI:NL:RVS:2026:3520
Datum uitspraak: 19 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 16 april 2026 in zaak nr. NL24.32834 in het geding tussen:
[betrokkene 1], [betrokkene 2], mede voor hun kinderen
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 21 september 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 25 juli 2024 heeft de minister het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het bezwaar gegrond is, de minister betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ moet verlenen en de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. H.M.A. Breuls, advocaat in Dalfsen, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ondeugdelijk heeft gemotiveerd en onzorgvuldig heeft voorbereid. Ook heeft de rechtbank in dit geval niet ten onrechte aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank heeft dat oordeel uitgebreid gemotiveerd. De minister betoogt tevergeefs dat de rechtbank, door zelf in de zaak te voorzien, niet heeft onderkend dat zij de uitkomst van de belangenafweging enigszins terughoudend moet toetsen. De toetsing van de door de minister gemaakte belangenafweging staat immers los van de bevoegdheid van de bestuursrechter om zelf in de zaak te voorzien.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 596,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026
1028