Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.002849 en BRS.26.002935

Uitspraak BRS.26.002849 en BRS.26.002935

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3530
Datum uitspraak
18 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 23 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.002849 en BRS.26.002935
ECLI:NL:RVS:2026:3530
Datum uitspraak: 18 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 4 juni 2026 in zaak nr. NL26.16297 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W.J. van der Meer, advocaat in Dordrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

Inleiding

1.        Appellant heeft op 12 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend. Op 26 november 2025 heeft de minister de Duitse autoriteiten verzocht om appellant over te nemen. Op 15 januari 2026 hebben de Duitse autoriteiten dit verzoek afgewezen, omdat de minister het verzoek niet had ondertekend. Op dezelfde dag heeft de minister alsnog het verzoek ondertekend, waarna de Duitse autoriteiten op 19 januari 2026 dit hebben aanvaard.

Toepasselijk recht

2.        Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Uitspraak van de rechtbank

3.        De rechtbank heeft overwogen dat de minister op 26 november 2025 tijdig de Duitse autoriteiten heeft verzocht om appellant over te nemen, dat hij op grond van artikel 5, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1560/2003 (Uitvoeringsverordening) op 15 januari 2026 tijdig een verzoek om heroverweging heeft ingediend en dat de Duitse autoriteiten op 19 januari 2026 tijdig het verzoek om overname alsnog hebben aanvaard.

Eerste grief

4.        De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het verzoek om overname van 15 januari 2026 geen nieuw verzoek is. Appellant betoogt dat het ontbreken van een handtekening geen ‘element’ is als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening, maar dat het hier gaat om een kwestie van openbare orde. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat op grond van het voormelde artikel het gebrek in het verzoek van 26 november 2025 kon worden gerepareerd. De rechtbank heeft dus ten onrechte geoordeeld dat het verzoek om overname tijdig is ingediend door de minister.

Oordeel van de voorzieningenrechter van de Afdeling

4.1.        Uit het arrest van het Hof van Justitie van 13 november 2018, X en X, ECLI:EU:C:2018:900, punt 74, volgt dat de heroverwegingsprocedure, bedoeld in artikel 5 van de Uitvoeringsverordening, een facultatief karakter heeft. Dat betekent dat het aan de aangezochte lidstaat, in dit geval Duitsland, is om te bepalen of hij alsnog het verzoek om overname accepteert. De Duitse autoriteiten hebben in dit geval aangenomen dat er sprake is van een heroverwegingsprocedure en hebben het verzoek om overname van 26 november 2025 alsnog tijdig aanvaard. Daarom is de beantwoording van de opgeworpen vraag over de uitleg van het begrip ‘element’ niet nodig voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag. De grief faalt.

4.2.        Wat appellant in de tweede grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept de grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).

Conclusie

5.        Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.        wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.

w.g. Sevenster
voorzieningenrechter

w.g. Tibold
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026

853


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon