Uitspraak 202402773/1/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3506
- Datum uitspraak
- 17 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 maart 2024 heeft de raad van de gemeente Leusden het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2] te Achterveld" vastgesteld. [appellant] exploiteert een autoschade- en restauratiebedrijf op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] in Achterveld. Het bedrijf richt zich met name op het restaureren van oldtimers. Met het plan is beoogd om aan voornoemde percelen een bij dit bedrijf passende functieaanduiding met bijbehorende milieucategorie toe te kennen. [appellant] betoogt dat het op de verbeelding aan [locatie 2] toegekende maximale bebouwingspercentage van 70% onjuist is. In overeenstemming met de aan hem op 27 augustus 2002 verleende vergunning heeft [appellant] op dit perceel een bedrijfsgebouw en -woning gebouwd van 1.487 m2. Daardoor is ongeveer 82% van het bouwvlak bebouwd. Volgens [appellant] is het toegekende bebouwingspercentage in strijd met de rechtszekerheid en hij voelt zich geschaad in zijn belangen.
- Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
- RO - Utrecht
Toon inhoud
202402773/1/R4.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) in het geding tussen:
[appellant], wonend in Achterveld, gemeente Leusden,
appellant,
en
de raad van de gemeente Leusden,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2] te Achterveld" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2026, waar [appellant], bijgestaan door G.G. Prinsen, en de raad, vertegenwoordigd door J.R.L. Bunnik en N. van der Krocht, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 29 maart 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] exploiteert een autoschade- en restauratiebedrijf op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] in Achterveld. Het bedrijf richt zich met name op het restaureren van oldtimers. Met het plan is beoogd om aan voornoemde percelen een bij dit bedrijf passende functieaanduiding met bijbehorende milieucategorie toe te kennen.
Wettelijk kader
3. De relevante bepalingen staan in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Bebouwingspercentage
5. [appellant] betoogt dat het op de verbeelding aan [locatie 2] toegekende maximale bebouwingspercentage van 70% onjuist is. In overeenstemming met de aan hem op 27 augustus 2002 verleende vergunning heeft [appellant] op dit perceel een bedrijfsgebouw en -woning gebouwd van 1.487 m2. Daardoor is ongeveer 82% van het bouwvlak bebouwd. Volgens [appellant] is het toegekende bebouwingspercentage in strijd met de rechtszekerheid en hij voelt zich geschaad in zijn belangen.
5.1. De Afdeling constateert dat het plan geen definitie van het begrip ‘bebouwingspercentage’ bevat. Uit artikel 2.2 van de planregels volgt dat dan wordt teruggevallen op het bestemmingsplan "Achterveld 2014". In artikel 1.8 van de planregels van het bestemmingsplan "Achterveld 2014" wordt het bebouwingspercentage als volgt gedefinieerd: "de oppervlakte van gebouwen binnen het bouwvlak of, bij afwezigheid daarvan, het bestemmingsvlak, uitgedrukt in een percentage van de oppervlakte van dat vlak". Dit betekent dat het bebouwingspercentage in dit geval berekend wordt aan de hand van de oppervlakte van het bouwvlak.
Op de verbeelding maken de percelen [locatie 1] en [locatie 2] onderdeel uit van hetzelfde bouwvlak. Ter zitting is met partijen vastgesteld dat dit bouwvlak een oppervlakte heeft van 3.500 m2. Een bebouwingspercentage van 70% komt uit op 2.450 m2. Partijen zijn het erover eens dat binnen het bouwvlak 2.456 m2 aan bebouwing aanwezig is. Het bebouwingspercentage wordt daarom met 6 m2 overschreden.
Het voorgaande betekent dat het toegestane bebouwingspercentage niet in overeenstemming is met de vergunde en feitelijk aanwezige situatie. De raad heeft ter zitting erkend dat wel is beoogd om de bestaande legale bebouwing toe te staan. Naar het oordeel van de Afdeling is het besluit tot vaststelling van het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
Het betoog slaagt.
Bedrijfscategorie
6. [appellant] betoogt verder dat op de verbeelding een onjuiste milieucategorie aan zijn bedrijf is toegekend. Op het perceel [locatie 1] lijkt in het geheel geen autoschade- en restauratiebedrijf te zijn mogelijk gemaakt en aan beide percelen is een functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" toegekend. Volgens [appellant] valt zijn bedrijf echter onder milieucategorie 3.1 of zelfs 3.2. Hij wijst nogmaals op de vergunning uit 2002 op grond waarvan hij zijn bedrijf heeft gevestigd op [locatie 2]. Daarnaast heeft [appellant] op 14 april 2015 een vergunning gekregen voor uitbreiding van zijn bedrijf op het naastgelegen bedrijfskavel [locatie 1]. In de nieuw gebouwde bedrijfshal staan machines en apparatuur die horen bij milieucategorie 3.1. De raad heeft de daarbij behorende melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer op 19 december 2017 geaccepteerd.
6.1. De Afdeling stelt vast dat op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] op grond van het bestemmingsplan "Achterveld 2014" een bedrijf tot en met milieucategorie 2 is toegestaan. Uit de Staat van bedrijfsactiviteiten die is opgenomen als bijlage bij de planregels volgt dat een autoschade en -restauratiebedrijf valt onder deze categorie. [appellant] heeft ter zitting toegelicht dat op [locatie 2] een spuitcabine aanwezig is voor het spuiten van auto’s. Uit de Staat van bedrijfsactiviteiten volgt dat autospuitinrichtingen vallen onder milieucategorie 3.1.
Met het hier voorliggende bestemmingsplan heeft de raad beoogd om die spuitactiviteiten toe te staan en aan dat perceel de aanduiding "een autoschade- en autorestauratiebedrijf van maximaal milieucategorie 3.1, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - autoschade- en autorestauratiebedrijf" toegekend.
6.2. Het toegestane gebruik in het bestemmingsplan is geregeld door middel van een indeling van bedrijven in een bepaalde milieucategorie. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen moet in dat geval voor het antwoord op de vraag of een bedrijf binnen het bestemmingsplan past, gekeken worden binnen welke milieucategorie het bedrijf in zijn geheel valt. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2573, overweging 2.2.
Gelet hierop en vanwege de aanwezige spuitinrichting, dient het bedrijf aangemerkt te worden als een bedrijf vallende in milieucategorie 3.1. Dit betekent dat in dit geval het bedrijf niet positief is bestemd, nu alleen op het perceel [locatie 2] via de betreffende functieaanduiding een bedrijf vallende in milieucategorie 3.1 is toegestaan. Op het perceel [locatie 1] is het bedrijf van [appellant] met het besluit van 27 maart 2024 niet toegestaan, omdat aldaar slechts een bedrijf tot en met milieucategorie 2 is toegestaan. Het betoog van [appellant] dat zijn bedrijf niet positief is bestemd, is dan ook terecht voorgedragen.
Verder ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad (ook) een bedrijf in milieucategorie 3.2 planologisch had moeten toestaan. Hiervoor heeft [appellant] geen vergunning of toestemming anderszins en evenmin is gebleken dat de bedrijfsvoering in de praktijk is gewijzigd.
Het betoog slaagt.
Slot en conclusie
7. Gelet op wat is overwogen onder 5.1 en 6.2, is het besluit van 27 maart 2024 in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen zestien weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit te herstellen.
De raad kan het gebrek genoemd onder 5.1 herstellen door bij de maatvoering het toegestane bebouwingspercentage op de verbeelding te wijzigen.
De raad wordt daarnaast opgedragen de planregeling zo aan te passen, dat in overeenstemming met de bedoeling van de raad het bedrijf positief wordt bestemd. Dit kan de raad doen door een regeling vast te stellen waarmee in aanvulling op bedrijven in milieucategorie 2, ook de activiteiten van [appellant] toe te staan. De Afdeling geeft de raad mee dat hij niet verplicht is om bedrijven van een bepaalde milieucategorie toe te staan. De raad kan er ook voor kiezen om (uitsluitend) activiteiten van een bepaalde milieucategorie toe te staan. Gelet op voornoemde uitspraak dient de raad zijn keuze terzake wel te maken voor het gehele bedrijf en daarbij dus niet te differentiëren naar de percelen [locatie 1] en [locatie 2]
De raad moet de Afdeling en [appellant] de uitkomst hiervan mededelen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en mededelen. Het door de raad te nemen gewijzigde of nieuwe besluit hoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. Op een nieuw of gewijzigd besluit blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 25.4).
Proceskosten
8. In de einduitspraak wordt beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
draagt de raad van de gemeente Leusden op om:
- binnen zestien weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen de in de overwegingen 5.1 en 6.2 geconstateerde gebreken in het besluit van 27 maart 2024 te herstellen en;
- de Afdeling en [appellant] de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vermeulen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
700-1187
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 8:51d
Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De artikelen 8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 8:51b, tweede en derde lid, en 8:51c, aanhef en onderdelen b tot en met d, zijn van toepassing.
Voorschriften van het plan "[locatie 1] en [locatie 2]"
2.2 Regels
De regels van het bestemmingsplan "Achterveld 2014’ vastgesteld bij besluit door de gemeenteraad van de gemeente Leusden op 9 september 2013 zijn van toepassing op dit bestemmingsplan, met dien verstande dat de regels als volgt worden aangevuld:
Artikel 4 Bedrijf
Artikel 4.1 wordt aangevuld met sub o en p:
o. een autoschade- en autorestauratiebedrijf van maximaal milieucategorie 3.1, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - autoschade- en autorestauratiebedrijf’;
p. een autoschade- en auotestauratiebedrijf van maximaal milieucategorie 2, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - autoschade- en autorestauratiebedrijf milieucategorie 2’, die voldoet aan de regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voorschriften van het plan "Achterveld 2014"
Artikel 1 Begrippen
[…]
1.8 Bebouwingspercentage: de oppervlakte van gebouwen binnen het bouwvlak of, bij afwezigheid daarvan, het bestemmingsvlak, uitgedrukt in een percentage van de oppervlakte van dat vlak; […].