Uitspraak 202504032/1/R3
- Datum uitspraak
- 17 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo geweigerd om aan Holland Steen een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van 22 short stay-appartementen in het kantoorgebouw aan het Stationsplein 20 in Almelo. Holland Steen is eigenaar van het kantoorgebouw. De studio’s hebben een oppervlakte van maximaal 20 m2, met een aantal grotere appartementen, voornamelijk bedoeld voor expats. Nadat medewerkers van de gemeente negatief hebben geadviseerd over dat bouwplan, heeft Holland Steen in juni 2023 tekeningen voor een gewijzigd bouwplan laten opstellen en ingediend bij het college. Dit gewijzigde bouwplan betreft het realiseren van elf appartementen met een oppervlakte van 43 tot 60 m2. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Het college wil niet meewerken aan het afwijken van het bestemmingsplan "Centrum", omdat het college aan het behoud van een kantoorfunctie in het gebouw de voorkeur geeft, en omdat niet is voldaan aan de voorwaarden over de gebruiksoppervlakte uit de Beleidsregels "Kamerbewoning, inwoning, woningsplitsing, herbestemmen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en verkleining oppervlaktemaat voor woningen".
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
Weigering omgevingsvergunning voor 22 ‘short stay’-appartementen in Almelo
Uitspraak over het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almelo om geen omgevingsvergunning te verlenen voor 22 ‘short stay’-appartementen in een kantoorgebouw aan het Stationsplein. De eigenaar van het kantoorgebouw had om de vergunning gevraagd. De appartementen zouden zijn bedoeld voor een verblijf van minimaal twee weken en maximaal zes maanden met uitloop tot maximaal twaalf maanden. Het college van B&W heeft de vergunning geweigerd omdat het de voorkeur geeft aan het behoud van de kantoorfunctie. De rechtbank verklaarde het eerdere beroep van de eigenaar ongegrond. De eigenaar laat het er niet bij zitten en is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Die heeft de zaak op 17 april 2026 op zitting behandeld.