Uitspraak 202400298/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3495
- Datum uitspraak
- 17 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 22 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden de omgevingsvergunning van 17 februari 2014 voor de veehouderij aan de [locatie] in Reusel ingetrokken voor wat betreft de activiteiten bouwen, milieu en handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden voor stal C. [appellant] is eigenaar van de varkenshouderij aan de [locatie]. Het college heeft op 17 februari 2014 aan haar een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, milieu en handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden. Deze omgevingsvergunning ziet onder andere op een nieuwbouwstal (stal C) voor het huisvesten van 1.920 vleesvarkens, 1.040 gespeende biggen en 84 fokzeugen. Stichting Milieuwerkgroep Kempenland en Stichting Groen Kempenland hebben bij het college een verzoek ingediend tot intrekking van deze omgevingsvergunning voor zover deze ziet op stal C, omdat volgens hen gedurende drie jaren geen gebruik is gemaakt van deze omgevingsvergunning. Na meerdere controles heeft het college geconstateerd dat stal C niet gebouwd is en heeft het de omgevingsvergunning in zoverre gedeeltelijk ingetrokken. [appellant] is het daar niet mee eens, onder meer omdat dit negatieve gevolgen heeft voor haar bedrijfsvoering.
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202400298/1/R2.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], beide gevestigd in Reusel, gemeente Reusel-De Mierden ([appellant]),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 november 2023 in zaak nr. 22/293 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden.
Procesverloop
Bij besluit van 22 oktober 2020 heeft het college de omgevingsvergunning van 17 februari 2014 voor de veehouderij aan de [locatie] in Reusel ingetrokken voor wat betreft de activiteiten bouwen, milieu en handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden voor stal C.
Bij uitspraak van 2 augustus 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 oktober 2020 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Bij besluit van 20 december 2021 heeft het college naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank de omgevingsvergunning van 17 februari 2014 voor de veehouderij aan de [locatie] in Reusel opnieuw ingetrokken voor wat betreft de activiteiten bouwen, milieu en handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden voor stal C.
Bij uitspraak van 30 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Stichting Milieuwerkgroep Kempenland en Stichting Groen Kempenland hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft ook een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak, samen met de zaak met zaaknummer 202400299/1/R2, op zitting behandeld op 10 februari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.G.A.M. Peters en L.H.M.M. van de Kerkhof, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om intrekking van een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
Het verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning is ingediend op 3 september 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] is eigenaar van de varkenshouderij aan de [locatie] in Reusel. Het college heeft op 17 februari 2014 aan haar een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, milieu en handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden. Deze omgevingsvergunning ziet onder andere op een nieuwbouwstal (stal C) voor het huisvesten van 1.920 vleesvarkens, 1.040 gespeende biggen en 84 fokzeugen. Stichting Milieuwerkgroep Kempenland en Stichting Groen Kempenland hebben bij het college een verzoek ingediend tot intrekking van deze omgevingsvergunning voor zover deze ziet op stal C, omdat volgens hen gedurende drie jaren geen gebruik is gemaakt van deze omgevingsvergunning. Na meerdere controles heeft het college geconstateerd dat stal C niet gebouwd is en heeft het de omgevingsvergunning in zoverre gedeeltelijk ingetrokken. [appellant] is het daar niet mee eens, onder meer omdat dit negatieve gevolgen heeft voor haar bedrijfsvoering.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 20 december 2021 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de overwegingen in de onherroepelijke uitspraak van 21 augustus 2021 als vaststaand moeten worden beschouwd, maar dat dit niet betekent dat het college niet tot intrekking mocht overgaan. Volgens de rechtbank heeft het college met het intrekken van de omgevingsvergunning een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het milieubelang dan aan de financiële belangen van [appellant]. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het college deze belangen voldoende inzichtelijk tegen elkaar heeft afgezet. In dit verband heeft het college volgens de rechtbank bij de belangenafweging rekening mogen houden met veranderde inzichten en/of wijzigingen in (milieu-)regelgeving, zoals de gewijzigde normstelling in de gemeentelijke geurverordening en het Besluit emissiearme huisvesting. De rechtbank heeft overwogen dat het college bij de belangenafweging ook mocht betrekken dat het niet realiseren van stal C ertoe zal leiden dat de fijnstofemissie en geurbelasting niet toeneemt.
Gronden van het hoger beroep
Brummenleer
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte is teruggekomen van de overwegingen in haar onherroepelijke uitspraak van 2 augustus 2021 met zaaknummer 20/3387. Hiermee is zij voorbijgegaan aan de zogenoemde Brummenleer. Volgens haar heeft de rechtbank bij de beoordeling van de door het college gemaakte belangenafweging geen rekening gehouden met r.o. 3.6 van de uitspraak van 2 augustus 2021. [appellant] voert aan dat de rechtbank voorbijgaat aan het eerder als zwaarwegend aangemerkte belang van het kunnen blijven benutten van de bestaande rechten van stal C op basis van de omgevingsvergunning van 17 februari 2014.
4.1. In de Brummen-uitspraak van 6 augustus 2003 (ECLI:NL:RVS:2003:AI0801) heeft de Afdeling geoordeeld dat het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat, als in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd, die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Maar rechtsoverweging 3.6 van de uitspraak van de rechtbank van 2 augustus 2021 met zaaknummer 20/3387, waarnaar [appellant] verwijst, gaat niet over een beroepsgrond die uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is verworpen. Wat de rechtbank daarin heeft overwogen heeft namelijk juist geleid tot de gegrondverklaring van het beroep. De zogenoemde Brummenleer is daarom niet van toepassing.
Voor zover [appellant] met zijn betoog bedoelt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebonden was aan haar uitspraak van 2 augustus 2021, overweegt de Afdeling als volgt. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat uit de uitspraak van 2 augustus 2021 niet volgt dat in geen geval tot intrekking van de omgevingsvergunning van 17 februari 2014 kan worden overgegaan. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.6 van de uitspraak van 2 augustus 2021 namelijk alleen overwogen dat het besluit van 22 oktober 2020 onvoldoende gemotiveerd is. Volgens de rechtbank is in dat verband van belang dat het college de (financiële) bedrijfsbelangen van [appellant] onvoldoende in de belangenafweging heeft meegewogen. De rechtbank heeft het college vervolgens opgedragen om een nieuw besluit te nemen en daarbij in elk geval aandacht te besteden aan de (financiële) bedrijfsbelangen van [appellant].
Het betoog slaagt niet.
Belangenafweging
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college met het intrekken van de omgevingsvergunning een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het milieubelang dan aan haar financiële belangen. Zij voert aan dat de rechtbank onvoldoende ingaat op haar financiële bedrijfsbelangen, omdat het gaat om een voor haar belastend en ingrijpend besluit. De gedeeltelijke intrekking heeft tot gevolg dat stal C niet meer gerealiseerd kan worden, waardoor volgens haar bij een nieuw te verlenen omgevingsvergunning geen gebruik gemaakt kan worden van de bestaande rechten.
5.1. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moeten bij de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning alle betrokken belangen worden meegenomen en tegen elkaar afgewogen. De Afdeling verwijst bij wijze van voorbeeld naar haar uitspraken van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:641, en 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1215. Tot die belangen behoren naast de door het bestuursorgaan gestelde belangen, ook de (financiële) belangen van vergunninghouder. Daarbij wordt meegewogen of het niet tijdig gebruikmaken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. Bij de beoordeling of het intrekkingsbesluit in overeenstemming is met het recht, kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het intrekkingsbesluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het intrekkingsbesluit te dienen doelen.
5.2. In rechtsoverweging 3.6 van de uitspraak van 2 augustus 2021 met zaaknummer 20/3387 heeft de rechtbank Oost-Brabant overwogen dat het college bij de belangenafweging in het kader van het besluit van 22 oktober 2020 het (financiële) bedrijfsbelang van [appellant] onvoldoende heeft meegewogen. In rechtsoverweging 3.7 van die uitspraak staat dat het college een nieuw besluit moet nemen waarbij in elk geval aandacht zal moeten worden besteed aan de (financiële) bedrijfsbelangen van [appellant].
5.3. In het besluit van 20 december 2021 is weliswaar een passage met het kopje "financiële belangen vergunninghouder" opgenomen, maar daarin zijn die belangen niet inzichtelijk gemaakt en ook niet kenbaar afgewogen. Ook op de zitting heeft het college niet toegelicht wat de (financiële) bedrijfsbelangen van [appellant] zijn en hoe deze belangen zijn afgewogen. Het college heeft op de zitting naar voren gebracht dat de milieusituatie niet is gewijzigd ten opzichte van het besluit van 22 oktober 2020, maar daarmee is geen toereikende invulling gegeven aan de hiervoor genoemde afweging. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het college het milieubelang voldoende inzichtelijk heeft afgezet tegen de (financiële) bedrijfsbelangen van [appellant]. Het besluit berust in zoverre dan ook niet op een deugdelijke motivering in de zin van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
Het betoog slaagt.
Conclusie
6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 december 2021 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het college moet een nieuw besluit nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.
7. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
8. Het college moet de proceskosten in beroep en hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 november 2023 in zaak nr. 22/293;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden van 20 december 2021, kenmerk REU-2021-1035;
V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat het bestuursorgaan bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van
Reusel-De Mierden aan [appellanten] het voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 919,00 vergoedt, met dien verstande dat het bestuursorgaan bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.E.H.J. Vollaers, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vollaers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
880-1135
Gedeeltelijke intrekking omgevingsvergunning varkenshouderij in Reusel
Uitspraak over het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden om de omgevingsvergunning voor de varkenshouderij in Reusel gedeeltelijk in te trekken. De omgevingsvergunning is in februari 2014 aan de veehouderij verleend voor de bouw van een stal voor 1.920 vleesvarkens, 1.040 gespeende biggen en 84 fokzeugen. Stichting Milieuwerkgroep Kempenland en Stichting Groen Kempenland hebben bij het college van B&W een verzoek ingediend om deze omgevingsvergunning voor deze stal in te trekken, omdat volgens hen gedurende drie jaar geen gebruik is gemaakt van deze omgevingsvergunning. Na meerdere controles heeft het college van B&W geconstateerd dat deze stal niet is gebouwd en heeft het de omgevingsvergunning gedeeltelijk ingetrokken. De varkenshouderij is het hier niet mee eens, omdat de intrekking van de vergunning voor deze stal een te ingrijpend besluit is voor het bedrijf. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 10 februari 2026 op zitting behandeld.