Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.24.000477

Uitspraak BRS.24.000477

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3392
Datum uitspraak
15 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij mondelinge uitspraak van 3 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.24.000477
ECLI:NL:RVS:2026:3392
Datum uitspraak: 15 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,
appellant

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 december 2024 in zaak nr. NL24.46143 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2024 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.

Bij mondelinge uitspraak van 3 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. D.P.J. Cain, advocaat in Roermond, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1.        Betrokkene heeft de Duitse nationaliteit. Op 23 april 2024 heeft de minister vastgesteld dat betrokkene geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en haar bevolen om Nederland binnen een maand te verlaten. Betrokkene is op 20 augustus 2024 overgedragen aan Duitsland. Zij is vervolgens herhaaldelijk de Duits-Nederlandse grens overgestoken en komt regelmatig in Venlo. Betrokkene is op 20 november 2024 opnieuw in bewaring gesteld.

Ontvankelijkheid

2.        Betrokkene betoogt in haar schriftelijke uiteenzetting dat de minister het hoger beroep te laat heeft ingesteld. Dit betoog slaagt niet. De uitspraak van de rechtbank is op 4 december 2024 bekendgemaakt. De minister moest binnen een week na de dag van bekendmaking hoger beroep instellen, dus uiterlijk op 11 december 2024. De Afdeling heeft op 11 december 2024 het hogerberoepschrift ontvangen. Het hoger beroep is daarom ontvankelijk.

Uitspraak van de rechtbank

3.        De rechtbank heeft de maatregel onrechtmatig geacht. Volgens de rechtbank had de minister moeten volstaan met de oplegging van een lichter middel, omdat betrokkene had verklaard zelfstandig terug te willen keren naar Duitsland en zij een paar kilometer van de grens met Duitsland verwijderd was. Daarmee zou het met de maatregel beoogde doel eerder bereikt zijn. De minister had maatwerk moeten leveren bij de bewaringsprocedure en niet standaardmatig zijn protocollen moeten volgen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, omdat niet valt in te zien waarom de minister niet onverwijld na de inbewaringstelling contact heeft opgenomen met de Duitse autoriteiten. Volgens de rechtbank is het vertrekgesprek van 25 november 2024 in dit geval geen uitzettingshandeling en heeft de minister met de laissez-passeraanvraag op 2 december 2024 onvoldoende voortvarend gehandeld.

Eerste grief

4.        De minister klaagt in zijn eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat hij met een lichter middel had kunnen volstaan. De minister betoogt dat het onttrekkingsrisico te groot was om een lichter middel op te leggen. Ook wijst de minister erop dat hij betrokkene niet ongedocumenteerd aan de Duitse autoriteiten kan overdragen.

4.1.        Partijen zijn het erover eens dat het verwijderingsbesluit nog steeds werking heeft, omdat betrokkene haar verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van 22 juni 2021, F.S., ECLI:EU:C:2021:506. Betrokkene heeft daarom geen rechtmatig verblijf in Nederland.

4.2.        Hoewel betrokkene tijdens het gehoor voor inbewaringstelling heeft verklaard dat zij zelfstandig wil terugkeren naar Duitsland, wijst de minister er terecht op dat betrokkene al eerder is overgedragen aan Duitsland en dat zij al meerdere keren is teruggekeerd naar Nederland. Gelet hierop en op het onttrekkingsrisico dat volgt uit de bewaringsgronden, hoefde de minister betrokkene niet in de gelegenheid te stellen om vrijwillig de grens met Duitsland over te steken.

4.3.        De rechtbank heeft dus ten onrechte overwogen dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan. De grief slaagt.

Tweede grief

5.        De minister klaagt in zijn tweede grief over het oordeel van de rechtbank dat hij onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

5.1.        De minister voert terecht aan dat de eerdere overdracht op zichzelf nog niet hoeft te betekenen dat hij een meer dan gebruikelijke voortvarendheid moest betrachten. De Afdeling merkt echter op dat hij in dit geval hoe dan ook een meer dan gebruikelijke voortvarendheid moest betrachten, omdat betrokkene een burger van de Unie is (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3338, onder 15.1).

5.2.        De minister wijst er terecht op dat het vertrekgesprek dat hij op 25 november 2024, dag zes van de maatregel, heeft gehouden, in dit geval een daadwerkelijke handeling ter voorbereiding van de overdracht is. Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1505, onder 1.1. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, betekent het gegeven dat betrokkene al een keer eerder naar Duitsland is overgedragen, niet dat de minister gehouden was om het vertrekgesprek achterwege te laten en zich onmiddellijk tot de Duitse autoriteiten te richten. Tijdens de zitting in beroep heeft de minister toegelicht dat hij op 26 november 2024 een laissez-passeraanvraag had ingediend bij de Duitse autoriteiten met een formulier van de eerdere overdracht. Echter, de Duitse autoriteiten weigerden dit formulier. De minister heeft vervolgens op 2 december 2024 opnieuw een laissez-passeraanvraag aan de Duitse autoriteiten gestuurd. Dit was op de dertiende dag van de bewaring. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is er onder deze omstandigheden geen grond voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

5.3.        De grief slaagt.

6.        In hoger beroep zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).

Conclusie hoger beroep

7.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

Beroep

8.        Betrokkene heeft aangevoerd dat onduidelijk is of bij de staandehouding gebruik is gemaakt van strafrechtelijke of vreemdelingenrechtelijke bevoegdheden en dat de ophouding op de verkeerde grondslag is gebaseerd.

8.1.        Uit het proces-verbaal van aanhouding van 20 november 2024 volgt dat betrokkene strafrechtelijk is aangehouden, omdat zij zich niet kon identificeren. Uit de toelichting in dat proces-verbaal, en uit het proces-verbaal van bevindingen van 27 november 2024, volgt echter dat het verzoek om een legitimatiebewijs te tonen ook is gedaan in het kader van het uitoefenen van de bevoegdheid bedoeld in artikel 50 van de Vw 2000. Er moest dus een redelijk vermoeden van illegaal verblijf zijn. De verbalisant heeft in het proces-verbaal van bevindingen verklaard dat betrokkene na haar eerste inbewaringstelling op 23 juli 2024, op 22 augustus 2024, 13 september 2024 en 3 oktober 2024 is gezien of gecontroleerd in Venlo. Ook was het bekend dat zij geen rechtmatig verblijf had en dat zij op 23 april 2024 een maand de tijd had gekregen om Nederland te verlaten. Gelet op het voorgaande was er dus een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG0447, onder 2.1 tot en met 2.1.3.

8.2.        Uit het proces-verbaal van ophouding van 20 november 2024 volgt dat betrokkene is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. Betrokkene heeft geen argumenten aangevoerd waarom dit de verkeerde grondslag is.

8.3.        De beroepsgrond slaagt niet.

9.        In beroep zijn ook geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punten 24 en 31).

Conclusie beroep

10.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep is ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 december 2024 in zaak nr. NL24.46143;

III.        verklaart het beroep ongegrond;

IV.        wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. De Poorter
voorzitter

w.g. Weber
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026

846-1122


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon