Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202600852/1/A2

Uitspraak 202600852/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3482
Datum uitspraak
17 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij beslissing van 28 november 2025 heeft de directeur onderwijs en student support aan [appellante] meegedeeld dat zij zal worden afgemeld bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). [appellante] is een studente uit Irak. Sinds september 2023 volgt zij de masteropleiding Business Administration, die Saxion Hogeschool aanbiedt in samenwerking met Greenwich University. Omdat zij een verblijfsvergunning heeft met als verblijfsdoel "studie" moet zij elk studiejaar voldoen aan de norm die voortvloeit uit de Wet Modern Migratiebeleid (de Momi-norm). Deze norm bedraagt 50% van het in dat jaar te halen aantal studiepunten. Indien een student niet voldoet aan de Momi-norm, moet het college dit aan de IND melden, tenzij sprake is van persoonlijke omstandigheden als gevolg waarvan onvoldoende studievoortgang kon worden geboekt. Aan de beslissing van 28 november 2025 ligt ten grondslag dat [appellante] in het studiejaar 2024-2025 de Momi-norm niet heeft gehaald. [appellante] heeft hier geen verschoonbare reden voor. Dat zij in Irak door haar oma is opgevoed en na het overlijden van haar oma naar Nederland is gekomen om bij haar familieleden in Nederland te zijn, valt niet onder de bijzondere familieomstandigheden, zoals bedoeld in artikel 7.51 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (de Whw) en artikel 6.5 van de Gedragscode Internationale Student.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Studentenzaken

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202600852/1/A2.
Datum uitspraak: 17 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,

en

het college van bestuur van Saxion Hogeschool,
verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 28 november 2025 heeft de directeur onderwijs en student support aan [appellante] meegedeeld dat zij zal worden afgemeld bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

Bij beslissing van 12 maart 2026 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, vergezeld door N. Dogan, tolk, en het college, vertegenwoordigd door R.L. Doorn, W.H. Ates en E. Löring, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellante] is een studente uit Irak. Sinds september 2023 volgt zij de masteropleiding Business Administration, die Saxion Hogeschool aanbiedt in samenwerking met Greenwich University. Omdat zij een verblijfsvergunning heeft met als verblijfsdoel "studie" moet zij elk studiejaar voldoen aan de norm die voortvloeit uit de Wet Modern Migratiebeleid (de Momi-norm). Deze norm bedraagt 50% van het in dat jaar te halen aantal studiepunten. Indien een student niet voldoet aan de Momi-norm, moet het college dit aan de IND melden, tenzij sprake is van persoonlijke omstandigheden als gevolg waarvan onvoldoende studievoortgang kon worden geboekt.

2.       Aan de beslissing van 28 november 2025 ligt ten grondslag dat [appellante] in het studiejaar 2024-2025 de Momi-norm niet heeft gehaald. [appellante] heeft hier geen verschoonbare reden voor. Dat zij in Irak door haar oma is opgevoed en na het overlijden van haar oma naar Nederland is gekomen om bij haar familieleden in Nederland te zijn, valt niet onder de bijzondere familieomstandigheden, zoals bedoeld in artikel 7.51 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (de Whw) en artikel 6.5 van de Gedragscode Internationale Student.

3.       Het wettelijke kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Bevoegdheid van de Afdeling

4.       Het college stelt zich op het standpunt dat de Afdeling niet bevoegd is om over dit geschil te oordelen, omdat de opleiding die [appellante] volgt niet geaccrediteerd is op grond van de Whw. De rechtsverhouding tussen [appellante] en Saxion is uitsluitend contractueel van aard. [appellante] volgt formeel het masterprogramma aan de University of Greenwich en dat masterprogramma is niet op grond van de Whw geaccrediteerd. De rechten van [appellante] vloeien daarom niet uit de Whw voort, maar uit de algemene leveringsvoorwaarden die zij bij haar inschrijving heeft ontvangen. Daar komt bij dat de beslissing van het college geen beslissing is die op grond van de Whw is genomen, aldus het college.

4.1.    Zoals de Afdeling in de uitspraak van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3876, onder 4.1, heeft overwogen volgt uit artikel 7.64, eerste lid, van de Whw, in samenhang gelezen met artikelen 1.1, onder g, 1.8, eerste lid, en 7.1, eerste lid, van de Whw, dat de Afdeling bevoegd is te oordelen over beslissingen, inhoudende een rechtshandeling jegens een betrokkene, genomen door een orgaan van een instelling voor hoger onderwijs. Als instelling voor hoger onderwijs wordt in artikel 1.1, onder g van de Whw onder meer aangemerkt een bekostigde instelling opgenomen in de bijlage van de Whw onder a tot en met i. Voor de bevoegdheid van de Afdeling is, wat betreft bekostigde instellingen, dus alleen van belang of de, al dan niet geaccrediteerde, opleiding wordt aangeboden aan een bekostigde instelling. Saxion Hogeschool is een bekostigde instelling, genoemd onder g van de bijlage bij de Whw.

4.2.    Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs van 24 oktober 2018, 2018/078, onder 2.4 en de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1461, onder 4.3) staat tegen de beslissing van het college om het niet voldoen aan de Momi-norm aan de IND te melden bij de onderwijsinstelling krachtens de Whw rechtsbescherming open.

4.3.    Daarmee is ook voldaan aan de overige voorwaarden van artikel 7.64 van de Whw. De Afdeling is daarom bevoegd in eerste en enige aanleg te oordelen over het geschil in deze procedure.

Beroep en oordeel van de Afdeling

5.       Niet in geschil is dat [appellante] de Momi-norm niet heeft gehaald. In geschil is of er persoonlijke omstandigheden zijn waardoor dat verschoonbaar is.

6.       [appellante] betoogt dat haar omstandigheden kunnen worden aangemerkt als bijzondere familieomstandigheden als bedoeld in de Whw. Verder betoogt zij dat uit het Rapport onderzoek verschoonbare redenen van de Landelijke Commissie Gedragscode Hoger Onderwijs uit februari 2021 volgt dat afstuderen een reden is om af te zien van de melding. Het college heeft de ruimte die het heeft om af te zien van een Momi-melding te beperkt opgevat. In dat verband merkt zij op dat Saxion niet verplicht is om een melding te doen bij de IND.

6.1.    Als een student niet voldoet aan de Momi-norm, moet het college dit aan de IND melden, tenzij sprake is van persoonlijke omstandigheden als gevolg waarvan onvoldoende studievoortgang kon worden geboekt. Of op basis van voortdurende persoonlijke omstandigheden afmelding bij de IND achterwege kan worden gelaten, moet door het college worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3240). Daarbij is van betekenis of de student de omstandigheden tijdig heeft gemeld, zodat daarmee door de opleiding rekening kan worden gehouden.

6.2.    Het college is in de beslissing van 12 maart 2026 ingegaan op de door [appellante] gestelde persoonlijke omstandigheden. Het college mocht zich op het standpunt stellen dat het enkele feit dat haar familie in Nederland woont en dat zij in Irak geen familie meer heeft, onvoldoende is om te worden aangemerkt als bijzondere familieomstandigheden die de voortgang van de studie hebben bemoeilijkt. Daar komt bij dat [appellante] zich tijdens het studiejaar 2024-2025 niet heeft gemeld bij de decaan of haar studieloopbaanbegeleider om persoonlijke omstandigheden te melden.

6.3.    Het college heeft verder toegelicht dat hij mogelijk coulant met het bezwaar van [appellante] had kunnen omgaan, als er zicht op zou zijn geweest dat zij binnen afzienbare tijd haar master zou kunnen afronden. Hoewel zij alleen nog haar scriptie hoefde af te ronden, heeft het college erop gewezen dat [appellante] hier al meer dan een jaar mee bezig was en zij herhaaldelijk aanzienlijke tijd heeft laten verstrijken tussen de contactmomenten met haar scriptiebegeleider. [appellante] was dus op het moment van de Momi-melding niet bijna klaar met haar scriptie en er was geen vooruitzicht dat zij binnen afzienbare tijd wel haar scriptie en daarmee haar master zou afronden. Dit betekent dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat ook de omstandigheid dat [appellante] alleen nog haar scriptie hoefde af te ronden geen persoonlijke omstandigheid is waardoor het niet halen van de Momi-norm verschoonbaar is.

Conclusie

7.       Het beroep is ongegrond.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Willems
voorzitter

w.g. Van Loon
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026

284-1175

BIJLAGE

WETTELIJKE KADER

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Artikel 1.1

In deze wet wordt verstaan onder:

[…].

g. instelling voor hoger onderwijs: een bekostigde instelling, opgenomen in de bijlage van deze wet onder a tot en met i of een rechtspersoon voor hoger onderwijs, tenzij uit deze wet het tegendeel blijkt;

[…].

Artikel 1.8

1. De bekostigde instellingen voor hoger onderwijs zijn de instellingen, opgenomen in de bijlage van deze wet onder a tot en met i.

[…].

Artikel 7.1

1. Dit hoofdstuk heeft betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen, op de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten.

2. De titels 1 en 2 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 7.3a, tweede lid, onder c, 7.8b, 7.17, 7.17a, 7.18, 7.22, 7.25, 7.30b, tweede tot en met zesde lid, en 7.30e, zijn van toepassing op de rechtspersonen voor hoger onderwijs.

3. Van titel 3 van dit hoofdstuk zijn de artikelen 7.39, 7.42b en 7.52, eerste lid en zesde tot en met achtste lid van toepassing op de rechtspersonen voor hoger onderwijs.

Artikel 7.51

1. Het bestuur van een bekostigde instelling voor hoger onderwijs treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een bij die instelling ingeschreven student die in verband met de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid studievertraging heeft opgelopen of naar verwachting zal oplopen.

2. De bijzondere omstandigheden, bedoeld in het eerste lid zijn:

[…]

e. bijzondere familieomstandigheden,

[…]

g. overige door het instellingsbestuur vastgestelde bijzondere omstandigheden waarin een student verkeert,

[…]

Artikel 7.64

1. Een schriftelijke beslissing van een orgaan van een instelling voor hoger onderwijs inhoudende een rechtshandeling die jegens een betrokkene is genomen op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen, wordt voor de toepassing van de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot besluiten aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van die wet. Het beroep kan worden ingesteld door de betrokkene.

2. Tegen een beslissing van een college van beroep bijzonder onderwijs als bedoeld in artikel 7.68 kan geen beroep worden ingesteld.

3. De organen van de instelling verstrekken aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de gegevens die zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt.

Regeling normering studievoortgang vanwege verblijfsvergunning in verband met studie

Artikel 1

De norm voor voldoende studievoortgang, als bedoeld in artikel 3.87a, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000, is de norm zoals vastgelegd in artikel 5.5 van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon