Uitspraak BRS.26.002342
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3314
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 19 mei 2023 en 9 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellant om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 (artikel 9-document), afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.002342
ECLI:NL:RVS:2026:3314
Datum uitspraak: 11 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 17 april 2026 in zaak nr. NL25.33083 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 25 juni 2025 heeft de minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. A.C.J. Letmaath, advocaat in Uden, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellanten klagen in grief 2 over het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht heeft afgezien van het horen in bezwaar. Zie artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
1.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5, is het uitgangspunt dat de minister een vreemdeling in bezwaar hoort en moet de minister terughoudend omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. Dit geldt des te meer in een zaak, zoals deze, waarin de minister een individuele belangenafweging moet maken in het kader van artikel 8 van het EVRM. Appellanten hebben in bezwaar ook verzocht om een hoorzitting. Bezien vanuit de gezichtspunten in eerdergenoemde uitspraak van 6 juli 2022, onder 5.2, heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister in dit geval redelijkerwijs niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat het bezwaar ongegrond was zonder appellanten en referent de gelegenheid te bieden om te worden gehoord over de aanvragen en het bezwaar.
1.2. Grief 2 slaagt.
2. Het hoger beroep is alleen al daarom gegrond. Het is niet nodig om wat appellanten in grief 1 aanvoeren te bespreken. Grieven 1 en 2 van appellanten roepen geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 25 juni 2025. Dit betekent dat de minister appellanten en/of referent alsnog moet horen voordat hij een nieuw besluit op bezwaar neemt. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 17 april 2026 in zaak nr. NL25.33083;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 25 juni 2025, V-[…] en V-[…];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. Stoové
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026
958