Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202506156/1/A2

Uitspraak 202506156/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3475
Datum uitspraak
17 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluiten van 16 oktober 2024 en 14 januari 2025 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven respectievelijk aan [appellante] en haar dochter ieder een uitkering van € 2.500,00 toegekend. [appellante] heeft op 27 mei 2024 voor zichzelf en op 23 december 2024 voor haar dochter, geboren op [geboortedatum] 2022, een uitkering bij het Schadefonds aangevraagd, omdat zij vanaf maart 2023 tot en met begin 2024 slachtoffer is geworden van meerdere mishandelingen en bedreigingen met geweld door haar ex-partner en haar dochter hierbij steeds aanwezig was. Het Schadefonds heeft bij besluit van 16 oktober 2024 [appellante] aangemerkt als slachtoffer van stelselmatig huiselijk geweld en bij besluit van 14 januari 2025 haar dochter aangemerkt als slachtoffer van de waarneming hiervan. Beiden hebben daarom op grond van letselcategorie 2 een uitkering van € 2.500,00 gekregen vanwege psychisch letsel.
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202506156/1/A2.
Datum uitspraak: 17 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:

[appellante], mede namens haar minderjarige dochter [naam dochter], beiden wonend in Rotterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 november 2025 in zaken nrs. 25/2799 en 25/2806 in de gedingen tussen:

[appellante] en [dochter]

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Procesverloop

Bij besluiten van 16 oktober 2024 en 14 januari 2025 heeft het Schadefonds respectievelijk aan [appellante] en haar dochter ieder een uitkering van € 2.500,00 toegekend.

Bij afzonderlijke besluiten van 3 april 2025 heeft het Schadefonds de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 november 2025 heeft de rechtbank de door [appellante], mede namens haar dochter, daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante], mede namens haar dochter, hoger beroep ingesteld.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellante] heeft op 27 mei 2024 voor zichzelf en op 23 december 2024 voor haar dochter, geboren op [geboortedatum] 2022, een uitkering bij het Schadefonds aangevraagd, omdat zij vanaf maart 2023 tot en met begin 2024 slachtoffer is geworden van meerdere mishandelingen en bedreigingen met geweld door haar ex-partner en haar dochter hierbij steeds aanwezig was. Het Schadefonds heeft bij besluit van 16 oktober 2024 [appellante] aangemerkt als slachtoffer van stelselmatig huiselijk geweld en bij besluit van 14 januari 2025 haar dochter aangemerkt als slachtoffer van de waarneming hiervan. Beiden hebben daarom op grond van letselcategorie 2 een uitkering van € 2.500,00 gekregen vanwege psychisch letsel.

Het Schadefonds heeft bij afzonderlijke besluiten van 3 april 2025 voor beiden de toepassing van letselcategorie 2 gehandhaafd, omdat er in het geval van [appellante] geen sprake is van een zeer lange duur of zodanig hoge frequentie van het geweld dat een hogere letselcategorie passend is en het gestelde directe slachtofferschap van haar dochter geen reden is om een hogere letselcategorie toe te kennen.

Uitspraak van de rechtbank

2.       De rechtbank heeft overwogen dat het Schadefonds aan [appellante] en haar dochter uitkeringen behorend bij letselcategorie 2 heeft mogen toekennen en dus geen uitkering behorende bij een hoger categorie had moeten toekennen. Letselcategorie 2 is immers passend voor de situatie van [appellante], waarin sprake is van belaging met stelselmatig fysiek geweld of bedreigingen met geweld. Het feit dat [appellante] een aware-button heeft gekregen, maakt niet dat op grond van de Letsellijst de toepassing van een hogere letselcategorie op zijn plaats is. Bovendien heeft het Schadefonds zich op het standpunt mogen stellen dat hier geen sprake is van een zeer lange duur of zodanig hoge frequentie van geweld dat letselcategorie 3 passend is. Wat haar dochter betreft, volgt expliciet uit de Letsellijst dat de waarneming van stelselmatig huiselijk geweld door een minderjarige onder letselcategorie 2 valt. Zelfs als het Schadefonds van rechtstreeks geweld had moeten uitgaan, had dit, gelet op wat de rechtbank over [appellante] heeft overwogen, niet tot een hogere letselcategorie hoeven leiden.

Hoger beroep

3.       De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4 tot en met 5.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Het Schadefonds, aan wie beslissingsruimte toekomt, heeft letselcategorie 2 mogen toepassen.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

5.       Het Schadefonds hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026

488-1197


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon