Uitspraak 202407383/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3310
- Datum uitspraak
- 2 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Op 3 maart 2021 heeft de Dienst Toeslagen van de inspecteur van de Belastingdienst de inkomens- en vermogensgegevens van [appellante] vanuit de Basisregistratie Inkomen (BRI) verkregen. De inspecteur heeft het inkomen van [appellante] over 2019 vastgesteld op € 20.351,00. Bij besluit van 3 april 2021 heeft de Dienst Toeslagen op basis van dit inkomen de huurtoeslag van [appellante] over 2019 herzien vastgesteld op € 2.426,00. Hierdoor is een terugvordering ontstaan van € 1.199,00. [appellante] heeft op 11 mei 2022 de Dienst Toeslagen verzocht om de definitief berekende huurtoeslag te herzien. Bij besluit van 6 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag over 2019 opnieuw beoordeeld en vastgesteld op € 2.426,00, op basis van een inkomen van € 20.351,00. Tot het toetsingsinkomen behoort een transitievergoeding die [appellante] op 31 december 2019 heeft ontvangen, nadat haar werkgever failliet is gegaan. De Dienst Toeslagen heeft het door [appellante] tegen het besluit van 6 maart 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 31 juli 2023.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Geld
Toon inhoud
202407383/1/A2.
Datum uitspraak: 2 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 30 september 2024 in zaak nr. 23/2247 in het geding tussen:
[appellante]
en
Dienst Toeslagen.
Openbare zitting gehouden op 2 juni 2026 om 12:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. J.S. de Jong
Verschenen:
de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 30 september 2024 van de rechtbank Oost-Brabant waarbij de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 31 juli 2023 ongegrond heeft verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering:
1. Op 3 maart 2021 heeft de Dienst Toeslagen van de inspecteur van de Belastingdienst de inkomens- en vermogensgegevens van [appellante] vanuit de Basisregistratie Inkomen (BRI) verkregen. De inspecteur heeft het inkomen van [appellante] over 2019 vastgesteld op € 20.351,00. Bij besluit van 3 april 2021 heeft de Dienst Toeslagen op basis van dit inkomen de huurtoeslag van [appellante] over 2019 herzien vastgesteld op € 2.426,00. Hierdoor is een terugvordering ontstaan van € 1.199,00.
[appellante] heeft op 11 mei 2022 de Dienst Toeslagen verzocht om de definitief berekende huurtoeslag te herzien. Bij besluit van 6 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag over 2019 opnieuw beoordeeld en vastgesteld op € 2.426,00, op basis van een inkomen van € 20.351,00. Tot het toetsingsinkomen behoort een transitievergoeding die [appellante] op 31 december 2019 heeft ontvangen, nadat haar werkgever failliet is gegaan. De Dienst Toeslagen heeft het door [appellante] tegen het besluit van 6 maart 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 31 juli 2023.
Bij besluit van 22 mei 2026 heeft de Dienst Toeslagen de terugvordering alsnog gematigd met een bedrag van € 956,00. Dit betreft het bedrag aan huurtoeslag dat [appellante] over 2019 minder had gekregen als gevolg van de door haar ontvangen transitievergoeding.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over het jaar 2019 terecht heeft vastgesteld op € 2.426,00. Het toetsingsinkomen van [appellante] bedroeg € 20.351,00. De transitievergoeding is geen inkomensbestanddeel die de Dienst Toeslagen buiten beschouwing mag laten voor de berekening van huurtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn aangedragen door [appellante] op grond waarvan hij de terugvordering had behoren te matigen. De terugvordering is het gevolg van de omstandigheid dat [appellante] op 30 november 2018 het geschatte jaarinkomen voor het jaar 2019 naar beneden heeft bijgesteld, waardoor aan haar een te hoog voorschot huurtoeslag is uitgekeerd. Dat [appellante] zich onvoldoende geholpen en niet begrepen voelt, omdat zij ook bij de gemeente Boxtel en de inspecteur van de Belastingdienst procedures heeft gevoerd over de transitievergoeding is begrijpelijk, maar vormt geen bijzondere omstandigheid die de terugvordering van de te hoog verstrekte voorschotten huurtoeslag onevenredig maakt.
3. [appellante] is het niet eens met de beoordeling van de vaststelling van de huurtoeslag. De gronden die zij daartoe heeft aangevoerd leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, heeft de Dienst Toeslagen geen mogelijkheid om de transitievergoeding bij de vaststelling van de huurtoeslag van [appellante] buiten beschouwing te laten (vergelijk: de uitspraak van 6 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3385, onder 4.1.) Dat de rechtbank in haar uitspraak per ongeluk een verkeerd bedrag als transitievergoeding heeft vermeld, maakt dit niet anders. Verder is de Dienst Toeslagen gehouden om bij de berekening van toeslagen uit te gaan van het inkomen zoals hij dat van de belastinginspecteur ontvangt.
Het betoog slaagt niet.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
1014