Uitspraak BRS.25.001307
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3264
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001307
ECLI:NL:RVS:2026:3264
Datum uitspraak: 9 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 september 2025 in zaken nrs. NL24.50513 en NL24.50514 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 11 december 2024 heeft de minister aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 9 september 2025 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Flantua, advocaat in Amersfoort, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkenen geen reëel risico lopen op ernstige schade wegens vrees voor vrouwenbesnijdenis, omdat zij de bescherming kunnen inroepen van de Beninse autoriteiten. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, heeft in haar uitspraak van 22 april 2021 in zaak nr. NL20.21934, die kracht van gewijsde heeft, geoordeeld dat betrokkene 1 deze bescherming kan inroepen. Zij heeft daarbij betrokken dat betrokkene 1 ouder is dan vijftien jaar en dus niet binnen de risicoleeftijd voor vrouwenbesnijdenis valt. Maar die uitspraak gaat niet over betrokkene 2, de dochter van betrokkene 1, want zij was toen nog niet geboren. De minister heeft zich in het besluit van 11 december 2024 niet, onder verwijzing naar die uitspraak, op het standpunt mogen stellen dat betrokkene 2 de bescherming van de Beninse autoriteiten kan inroepen, zonder daarbij te betrekken dat betrokkene 2 wel binnen de risicoleeftijd voor vrouwenbesnijdenis valt.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026
941-1162