Uitspraak 202601188/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3304
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 december 2023 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat de aanvraag van [wederpartij] afgewezen voor de vernieuwing van zijn vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies schipper zeevisvaart met de beperking tot vissersvaartuigen van minder dan 60 meter (schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter) en stuurman-werktuigkundige zeevisvaart voor alle vissersvaartuigen (stuurman-werktuigkundige). Deze zaak gaat over vaarbevoegdheidsbewijzen van [wederpartij]. De minister heeft geweigerd om die van [wederpartij] te vernieuwen omdat [wederpartij] niet de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen heeft. Volgens de minister zijn die nodig voor de functies schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter en stuurman-werktuigkundige zeevisvaart. Volgens de minister is er spoedeisend belang omdat de opdracht van de rechtbank onomkeerbare gevolgen heeft. Verder betoogt de minister dat zijn belang bij uitstel is dat het oordeel van de rechtbank hem dwingt tot handelen in strijd met wat in het Besluit zeevarenden staat. Volgens de minister is dat oordeel gebaseerd op onjuiste aannames en leidt het tot onveilige situaties op schepen.
- Voorlopige voorziening
- Visserij
Toon inhoud
202601188/2/A3.
Datum uitspraak: 9 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) van:
1. de minister van Infrastructuur en Waterstaat,
2 Coöperatieve Producentenorganisatie voor de Visserij Urk U.A. (hierna: CPO), gevestigd in Urk,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 2026 in zaak nr. 24/5139 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in [woonplaats]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2023 heeft de minister de aanvraag van [wederpartij] afgewezen voor de vernieuwing van zijn vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies schipper zeevisvaart met de beperking tot vissersvaartuigen van minder dan 60 meter (schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter) en stuurman-werktuigkundige zeevisvaart voor alle vissersvaartuigen (stuurman-werktuigkundige).
Bij besluit van 19 juni 2024 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 maart 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 juni 2024 vernietigd en de minister opgedragen om binnen de wettelijke beslistermijn na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben [wederpartij] en de minister hoger beroep ingesteld.
De minister en CPO hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
CPO heeft twee reacties op het verzoek van de minister gegeven.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op de zitting van 28 mei 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. G.H.H. Bisschoff, mr. L. van Dijk-Jonkers en R. Mastenbroek, en [wederpartij] en CPO, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] zijn verschenen. Ook was [gemachtigde B] van CPO aanwezig.
Op de zitting heeft de voorzieningenrechter als ordemaatregel de uitspraak van de rechtbank geschorst en bepaald dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen op het bezwaar van [wederpartij] totdat de voorzieningenrechter heeft beslist over de verzoeken om een voorlopige voorziening van de minister en CPO.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Waar gaat deze zaak over?
2. Deze zaak gaat over vaarbevoegdheidsbewijzen van [wederpartij]. De minister heeft geweigerd om die van [wederpartij] te vernieuwen omdat [wederpartij] niet de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen heeft. Volgens de minister zijn die nodig voor de functies schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter en stuurman-werktuigkundige zeevisvaart.
De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd voor beide functies. Voor zover nog relevant in hoger beroep heeft de rechtbank over de functie stuurman-werktuigkundige zeevisvaart overwogen dat de regels uit het Besluit Zeevarenden die daarover gelden niet in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel, zodat de certificaten voor dit vaarbevoegdheidsbewijs vereist zijn, maar dat de toepassing daarvan vanwege bijzondere omstandigheden in dit geval voor [wederpartij] onevenredig is. De minister moet van de rechtbank binnen de wettelijke termijn opnieuw beslissen op het bezwaar van [wederpartij]. De rechtbank heeft verder bepaald dat bij het nieuw te nemen besluit de minister van [wederpartij] niet mag vragen om deze certificaten te overleggen.
De minister vindt het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de functie stuurman-werktuigkundige niet juist en wil pas een nieuw besluit nemen als de Afdeling over zijn hoger beroep heeft beslist. Voor de tussentijd heeft de minister aan [wederpartij] een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie van schipper zeevisvaart met de beperking tot vissersvaartuigen van minder dan 60 meter verleend.
Voor de beoordeling van het verzoek gaat het dus alleen nog om het vaarbevoegdheidsbewijs van [wederpartij] voor de functie van stuurman-werktuigkundige zeevisvaart.
Het verzoek van de minister
3. Volgens de minister is er spoedeisend belang omdat de opdracht van de rechtbank onomkeerbare gevolgen heeft. Verder betoogt de minister dat zijn belang bij uitstel is dat het oordeel van de rechtbank hem dwingt tot handelen in strijd met wat in het Besluit zeevarenden staat. Volgens de minister is dat oordeel gebaseerd op onjuiste aannames en leidt het tot onveilige situaties op schepen.
3.1. Omdat de minister van de rechtbank binnen de wettelijke beslistermijn een nieuw besluit moet nemen dat neerkomt op het verlenen van het vaarbevoegdheidsbewijs is volgens de voorzieningenrechter sprake van een spoedeisend belang.
3.2. Partijen zijn het niet met elkaar eens of de toepasselijke regels uit het Besluit zeevarenden in overeenstemming zijn met hogere regelgeving en het evenredigheidsbeginsel. Voor een oordeel daarover is meer onderzoek nodig. Dat zal in de bodemprocedure worden gedaan omdat de voorzieningenprocedure zich daarvoor niet leent. De voorzieningenrechter zal ook geen voorlopig rechtsoordeel hierover geven.
3.3. De voorzieningenrechter weegt de belangen van de minister en [wederpartij] af. De belangen van andere vissers neemt de voorzieningenrechter, anders dan CPO heeft gevraagd, niet mee in die afweging omdat het gaat om een besluit van de minister over het vaarbevoegdheidsbewijs van [wederpartij].
De voorzieningenrechter oordeelt dat in dit geval het belang van de minister zwaarder weegt dan het belang van [wederpartij] bij uitvoering van de opdracht van de rechtbank. Daarvoor vindt de voorzieningenrechter van belang dat [wederpartij] het vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie van schipper inmiddels heeft gekregen en daarmee ook vaart. De minister heeft op de zitting verklaard dat [wederpartij] daarnaast een beperkt vaarbevoegdheidsbewijs kan krijgen waarmee hij ook de functie stuurman-werktuigkundige zeevisvaart mag uitoefenen op de schepen waarmee hij doorgaans vaart, namelijk die tot 45 meter. Zo zou [wederpartij] zijn werkzaamheden kunnen blijven doen en komt tegelijkertijd de veiligheid voor de opvarenden van grote schepen niet in gevaar. Zoals de minister heeft toegelicht, is het met name voor de veiligheid van de grote schepen die op zee varen belangrijk dat de bemanning beschikt over de vereiste certificaten. [wederpartij] heeft op de zitting niet toegelicht hoe hij dan in zijn werkzaamheden wordt belemmerd en met welke gevolgen.
3.4. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak.
Het verzoek van CPO
4. CPO verzoekt om te bepalen dat de andere vissers in Nederland lopende het hoger beroep in deze zaak net zoals [wederpartij] ook niet hoeven te beschikken over de certificaten als zij hun vaarbevoegdheidsbewijzen moeten verlengen.
4.1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van CPO af. Hierna zal de voorzieningenrechter toelichten waarom.
4.2. Eerst benadrukt de voorzieningenrechter dat zij in deze beslissing in het midden laat of CPO belanghebbende is bij het besluit van de minister dat uitsluitend gaat over het vaarbevoegdheidsbewijs van [wederpartij]. De voorzieningenrechter geeft er in deze beslissing ook geen voorlopig oordeel over dat CPO geen bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen dat besluit en welke gevolgen dat heeft voor de ontvankelijkheid in hoger beroep. Beide punten vragen een uitgebreider onderzoek en zullen in de bodemprocedure moeten worden meegenomen.
4.3. In deze zaak is de uitspraak van de rechtbank over het vaarbevoegdheidsbewijs van [wederpartij] aan de orde. In die uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat vanwege de individuele omstandigheden van [wederpartij] de weigering van zijn vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie van stuurman-werktuigkundige onevenredig is en dat de minister niet van [wederpartij] mocht eisen dat hij de twee certificaten heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de reikwijdte van het verzoek van CPO daar niet binnen past. De zaak gaat niet over andere vissers dan [wederpartij]. Dat er een rechtsvraag voorligt die mogelijk ook voor andere vissers van belang kan zijn wanneer zij een soortgelijk vaarbevoegdheidsbewijs aanvragen maakt dat niet anders. Door het verzoek van CPO inhoudelijk te behandelen zou de voorzieningenrechter buiten de omvang van het geding treden.
5. Door deze beslissing is de ordemaatregel die op de zitting mondeling is getroffen, vervallen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 2026 in zaak nr. 24/5139, totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak;
II. wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van Coöperatieve Producentenorganisatie voor de Visserij Urk U.A. af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Van Tuyll van Serooskerken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026
290