Uitspraak 202600920/2/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3299
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 oktober 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen de aanvraag van [verzoekster] om een urgentieverklaring afgewezen. [verzoekster] woont samen met haar vier minderjarige kinderen in een appartement in Vlaardingen. Zij heeft een urgentieverklaring aangevraagd wegens geweld en bedreiging. [verzoekster] heeft aangegeven dat zij wegens psychisch geweld is gevlucht voor haar vader. Haar vader is volgens [verzoekster] nog steeds naar haar op zoek en is in de buurt van haar woning gezien. Zij voelt zich hierdoor niet meer veilig. Daarnaast wijst [verzoekster] erop dat de huidige woning te klein is voor het gezin en dat er sprake is van lichamelijke en psychische klachten die samenhangen met haar woonsituatie. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag mocht afwijzen omdat [verzoekster] niet voldoet aan de voorwaarden die in artikel 3.4.6 van de verordening worden genoemd.
- Voorlopige voorziening
- Verordeningen
Toon inhoud
202600920/2/A2.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], wonend in Vlaardingen,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (de rechtbank) van 17 februari 2026 in zaak nr. 26/336 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen.
Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2025 heeft het college de aanvraag van [verzoekster] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 13 januari 2026 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 februari 2026 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.
Ook heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoekster] heeft een nader stuk overgelegd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 4 juni 2026, waar het college, vertegenwoordigd door N. Alves en mr. P.J. Remmelts, advocaat in Rotterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
2. [verzoekster] woont samen met haar vier minderjarige kinderen in een appartement in Vlaardingen. Zij heeft een urgentieverklaring aangevraagd wegens geweld en bedreiging. [verzoekster] heeft aangegeven dat zij wegens psychisch geweld is gevlucht voor haar vader. Haar vader is volgens [verzoekster] nog steeds naar haar op zoek en is in de buurt van haar woning gezien. Zij voelt zich hierdoor niet meer veilig. Daarnaast wijst [verzoekster] erop dat de huidige woning te klein is voor het gezin en dat er sprake is van lichamelijke en psychische klachten die samenhangen met haar woonsituatie.
3. Op grond van artikel 3.4.6 van de Verordening woonruimtemiddeling regio Rotterdam 2025 komt een woningzoekende in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘geweld en bedreiging’ als bij de aanvrager (of één of meer leden van het huishouden)’ sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee, waardoor de aanvrager redelijkerwijs niet langer is de woning kan blijven wonen. Dat de aanvrager niet langer in de woning kan blijven wonen, moet blijken uit een schriftelijke verklaring van de politie. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat de politie niet bekend is met de situatie van [verzoekster] en daardoor geen noodzaak ziet om een verklaring af te geven dat zij met spoed moet verhuizen. Dit besluit heeft het college in bezwaar gehandhaafd.
De uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag mocht afwijzen omdat [verzoekster] niet voldoet aan de voorwaarden die in artikel 3.4.6 van de verordening worden genoemd. De politie heeft geen verklaring afgelegd. Dat de vader van [verzoekster] recentelijk bij haar woning is gezien, is onvoldoende. Uit niets blijkt dat [verzoekster] op dit moment op zo’n manier door haar vader wordt bedreigd, dat zij niet langer in haar huidige woning kan blijven wonen. Het college heeft ook niet op een andere urgentiegrond urgentie hoeven te verlenen. Een eerdere aanvraag van [verzoekster] op urgentie op medische gronden is afgewezen, omdat er volgens de medisch adviseur geen noodzaak was dat [verzoekster] binnen drie maanden moest verhuizen. In de in bezwaar overgelegde stukken heeft het college terecht geen aanleiding gezien om er vanuit te gaan dat een medisch adviseur op dit moment tot een andere conclusie zou komen.
Het voorlopig rechtmatigheidsoordeel van de voorzieningenrechter
5. De voorzieningenrechter zal in het kader van de voorlopige voorziening bezien of aanleiding bestaat voor de verwachting dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand zal blijven. Dit betekent dat de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel zal geven over de beroepsgronden die [verzoekster] heeft aangevoerd.
6. De gronden die [verzoekster] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [verzoekster] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. Ook in haar verzoek om een voorlopige voorziening heeft [verzoekster] deze redenen niet gegeven. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9 en 10 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De voorzieningenrechter ziet in wat [verzoekster] heeft aangevoerd geen reden om aan te nemen dat de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.
Conclusie
7. Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek afgewezen.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
1064