Uitspraak 202502316/6/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:6454
- Datum uitspraak
- 13 november 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 februari 2025 hebben de minister van Defensie en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening het inpassingsplan "Radar Herwijnen" vastgesteld. Al een aantal jaren wil het Ministerie van Defensie in de buurt van het Gelderse dorp Herwijnen een nieuw militair radarstation bouwen, op de plek waar in het verleden een civiele radar van Luchtverkeersleiding Nederland heeft gestaan. Om dat mogelijk te maken is in 2017 een ontwerpbestemmingsplan opgesteld, maar de gemeenteraad van de voormalige gemeente Lingewaal (tegenwoordig de gemeente West Betuwe) heeft in 2018 besloten het bestemmingsplan niet vast te stellen. Daardoor was de bouw van het nieuwe radarstation niet mogelijk. Verweerders hebben vervolgens besloten om zelf een bestemmingsplan - een rijksinpassingsplan geheten - vast te stellen.
- Vereenvoudigde behandeling
- Inpassingsplan
Toon inhoud
202502316/6/R4.
Datum uitspraak: 13 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:
[appellante] (hierna: de coöperatie), gevestigd in [plaats],
appellante,
en
1. de minister van Defensie,
2. de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2025 hebben de minister van Defensie en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening het inpassingsplan "Radar Herwijnen" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft onder andere de coöperatie ingesteld.
De ministers hebben een verweerschrift ingediend.
De ministers en de coöperatie hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
Toepasselijk recht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden.
Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een inpassingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het inpassingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 19 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Planbeschrijving
2. Al een aantal jaren wil het Ministerie van Defensie in de buurt van het Gelderse dorp Herwijnen een nieuw militair radarstation bouwen, op de plek waar in het verleden een civiele radar van Luchtverkeersleiding Nederland heeft gestaan. Om dat mogelijk te maken is in 2017 een ontwerpbestemmingsplan opgesteld, maar de gemeenteraad van de voormalige gemeente Lingewaal (tegenwoordig de gemeente West Betuwe) heeft in 2018 besloten het bestemmingsplan niet vast te stellen. Daardoor was de bouw van het nieuwe radarstation niet mogelijk. Verweerders hebben vervolgens besloten om zelf een bestemmingsplan - een rijksinpassingsplan geheten - vast te stellen.
3. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Uit de stukken blijkt dat de coöperatie geen inwoner of rechtspersoon in of uit de omgeving van Herwijnen vertegenwoordigt en in deze procedure dus voor haar eigen belangen procedeert. Blijkens de statutaire doelstelling van de coöperatie blijkt dat geen sprake is van een rechtspersoon die opkomt voor een algemeen belang. De coöperatie is gevestigd in Rotterdam, dat hemelsbreed op ongeveer 40 km van het plangebied is gelegen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel de coöperatie niet rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de realisatie van het radarstation. Dat betekent dat zij geen belanghebbende is bij het bestreden besluit.
3.1. Het vorenstaande neemt niet weg dat de coöperatie beroep kan instellen, nu zij een zienswijze naar voren heeft gebracht over het ontwerpplan. In haar uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, heeft de Afdeling er echter al op gewezen dat te voorzien is dat de beroepsgronden van degene die als niet-belanghebbende toegang tot de bestuursrechter verkrijgt, op grond van het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in voorkomende gevallen niet tot vernietiging van het bestreden besluit zullen kunnen leiden.
3.2. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
3.3. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt.
3.4. Bij de beantwoording van de vraag of voor beroepsgronden geldt dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit omdat artikel 8:69a van de Awb hieraan in de weg staat, is dus van belang vast te stellen of de rechtsregel strekt tot de bescherming van de belangen van de appellant. Daarbij wordt vooropgesteld dat bij de toepassing van het relativiteitsvereiste aan de procedurele normen over het recht op inspraak een zelfstandige betekenis toekomt. Zie daarvoor ook de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606, onder 7.8. Dit betekent dat als niet-belanghebbenden een zienswijze hebben ingediend het relativiteitsvereiste niet aan vernietiging in de weg staat bij een door haar ingeroepen procedurele norm over het recht op inspraak. De coöperatie heeft echter geen beroepsgronden over inspraak naar voren gebracht.
3.5. Voor zover door de coöperatie een beroep wordt gedaan op een procedurele norm of een formeel beginsel van behoorlijk bestuur die geen betrekking heeft op inspraak, of wanneer wordt aangevoerd dat in strijd met een materiële norm is gehandeld, staat de relativiteit wél in de weg aan vernietiging als die rechtsregel niet strekt tot bescherming van hun belangen.
De beroepsgronden die de coöperatie naar voren heeft gebracht over de ondertekening van het bestreden besluit, alternatieven, veiligheidsaspecten, straling en de gezondheidsrisico’s daarvan, storingen aan elektrische apparatuur in de omgeving, geluidsnormen en beschermde diersoorten vinden niet hun basis in een of meer rechtsregels die strekken tot bescherming van de belangen van de coöperatie. Deze beroepsgronden kunnen op grond van het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Afdeling zal deze gronden daarom niet bespreken.
4. Het beroep is kennelijk ongegrond.
5. De ministers hoeven geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vreugdenhil
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025