Uitspraak 202505568/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3271
- Datum uitspraak
- 2 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 25 september 2025 van de rechtbank Amsterdam waarbij de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 23 januari 2025 ongegrond heeft verklaard. Bij besluit van 2 oktober 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam bestuursdwang toegepast door de auto van [appellant] met [kenteken] weg te slepen en in bewaring te stellen en de kosten daarvan ten bedrage van € 452,00 te verhalen op [appellant]. Volgens het college stond de auto van [appellant] in overtreding geparkeerd op een laad- en loshaven, en was de verwijdering van de auto noodzakelijk in verband met het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen. Bij besluit van 23 januari 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202505568/1/A2.
Datum uitspraak: 2 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2025 in zaak nr. 25/1464 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Openbare zitting gehouden op 2 juni 2026 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. J.S. de Jong
Verschenen:
Het college, vertegenwoordigd door mr. O. Sadek.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 25 september 2025 van de rechtbank Amsterdam waarbij de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 23 januari 2025 ongegrond heeft verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering:
1. Bij besluit van 2 oktober 2024 heeft het college bestuursdwang toegepast door de auto van [appellant] met [kenteken] weg te slepen en in bewaring te stellen en de kosten daarvan ten bedrage van € 452,00 te verhalen op [appellant]. Volgens het college stond de auto van [appellant] in overtreding geparkeerd op een laad- en loshaven, en was de verwijdering van de auto noodzakelijk in verband met het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen. Bij besluit van 23 januari 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft, samengevat, geoordeeld dat het college de auto van [appellant] heeft mogen wegslepen. Volgens de rechtbank was er geen sprake van laden en lossen door [appellant], waarbij zij erop wijst dat het begrip "laden en lossen", gelet op het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445, strikt wordt uitgelegd. Van willekeur bij het wegslepen naar aanleiding van de overtreding was geen sprake. Verder was het handhavend optreden niet onevenredig. De rechtbank heeft de omstandigheid dat het besluit van 2 oktober 2024 niet was ondertekend gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het ter plekke opgemaakte besluit niet is ondertekend, terwijl dit wel had gemoeten. Anders dan [appellant] betoogt, betekent dit niet dat sprake is van een onherstelbaar gebrek. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het op basis van het niet ondertekende proces-verbaal, de stellingen van [appellant] en de foto’s van de boa’s die in het proces-verbaal zijn opgenomen, aannemelijk was dat de auto van [appellant] op een laad- en losplaats geparkeerd stond. Het besluit is nadien alsnog ondertekend. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat onder deze omstandigheden geen sprake is van een gebrek aan de besluitvorming waardoor [appellant] is benadeeld.
4. Zoals de rechtbank heeft overwogen, wordt onder onmiddellijk laden of lossen verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring in- of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is (zie ook: de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU1621, onder 2.3.1.). De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat daar bij [appellant] geen sprake van was, nu uit de gedingstukken volgt dat de toezichthouders minimaal tien minuten [appellant], noch enig ander persoon, bij het voertuig hebben gesignaleerd. Verder volgt uit de gedingstukken dat sprake was van hinder, temeer omdat sprake was van parkeren tijdens laad- en lostijden, en er door een onderneming melding was gedaan van het parkeren op de laad- en losstrook. Anders dan [appellant] betoogt was het college in de gegeven omstandigheden bevoegd om het besluit tot toepassing van bestuursdwang te nemen.
5. De rechtbank heeft verder, anders dan [appellant] betoogt, terecht geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het handhavend optreden zodanig onevenredig was dat daarvan in de concrete situatie behoort te worden afgezien. Zoals hiervoor is overwogen, blijkt uit de foto’s dat [appellant] hinder veroorzaakte voor het verkeer. De stelling van [appellant] dat het college in het geval van pakketbezorgers in de gehele stad nooit optreedt, wat daar ook van zij, betekent niet dat het college in dit geval niet handhavend mocht optreden (vergelijk: de uitspraak van 26 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU1621, onder 2.4).
Het betoog slaagt niet.
6. Het hoger beroep is ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
1014