Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.25.002417

Uitspraak BRS.25.002417

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3246
Datum uitspraak
8 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 7 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.25.002417
ECLI:NL:RVS:2026:3246
Datum uitspraak: 8 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 december 2025 in zaak nr. NL25.49124 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 4 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. Jansen, advocaat in Kapelle, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een nader stuk ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Overwegingen

Inleiding

1.        Appellant is geboren op 11 januari 2002 en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Hij heeft eerder op 2 november 2020 een asielaanvraag ingediend. Daaraan lag ten grondslag dat appellant bij terugkeer naar Gambia ervoor vreest dat de Gambiaanse autoriteiten hem oppakken en vastzetten, omdat zijn werknemer hem erin heeft geluisd en hem garant heeft laten staan voor een miljoen dalasi. De minister heeft de asielaanvraag bij besluit van 9 juni 2022 afgewezen als ongegrond, omdat hij de genoemde problemen ongeloofwaardig acht. Dit besluit staat in rechte vast.

1.1.        Appellant heeft op 25 september 2025 de huidige asielaanvraag ingediend. Volgens appellant zoeken de Gambiaanse autoriteiten hem nog steeds. Ter onderbouwing heeft appellant een arrestatiebevel van 1 oktober 2025 en drie verklaringen van zijn huidige Gambiaanse advocaat overgelegd. De minister heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, omdat de overgelegde stukken weliswaar nieuw zijn, maar niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag.

Hoger beroep

2.        De eerste grief, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet om het onderzoek te heropenen en een mogelijke contra-expertise af te wachten, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.        De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister de asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het arrestatiebevel van 1 oktober 2025 en de verklaringen van de Gambiaanse advocaat niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag.

3.1.        Appellant betoogt terecht dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het arrestatiebevel van 1 oktober 2025 qua opmaak en inhoud nauwelijks verschilt van de arrestatiebevelen uit de vorige asielprocedure en dat het daarom niet nodig is om het arrestatiebevel te laten onderzoeken door Bureau Documenten. Appellant wijst er terecht op dat er verschillen aanwezig zijn tussen het arrestatiebevel van 1 oktober 2025 en de arrestatiebevelen uit de vorige asielprocedure. Ook wijst appellant op het tijdsverloop sinds de eerste asielaanvraag en betoogt hij dat het arrestatiebevel van 1 oktober 2025 relevant is voor zijn betoog dat de Gambiaanse autoriteiten nog steeds op zoek zijn naar hem. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat het arrestatiebevel van 1 oktober 2025 niet relevant kan zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag.

3.2.        Ook klaagt appellant terecht over het oordeel van de rechtbank dat de verklaringen van de Gambiaanse advocaat niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. In de verklaringen laat de Gambiaanse advocaat van appellant weten dat zij zijn strafzaak heeft overgenomen van een andere advocaat, zij in contact staat met de Gambiaanse autoriteiten daarover en dat de strafzaak tegen appellant nog loopt. De verklaringen zijn een onderbouwing van het betoog van appellant dat de Gambiaanse autoriteiten nog steeds op zoek zijn naar hem. Ook wijst appellant erop dat de minister de bron en inhoud van de verklaringen kan laten controleren.

3.3.        De tweede grief slaagt.

4.        Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

Conclusie

5.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 7 oktober 2025. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 december 2025 in zaak nr. NL25.49124;

III.        verklaart het beroep gegrond;

IV.        vernietigt het besluit van 7 oktober 2025, [...];

V.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.

w.g. Van Breda
voorzitter

w.g. Pronk
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026

1028


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon