Uitspraak BRS.26.002541
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3221
- Datum uitspraak
- 5 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.002541
ECLI:NL:RVS:2026:3221
Datum uitspraak: 5 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 13 mei 2026 in zaak nr. NL26.24020 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2026 heeft de minister verzoeker in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 21 mei 2026 heeft verzoeker het verzoek ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht de minister te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
De minister heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft op 20 mei 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Op 21 mei 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn asielaanvraag is beslist. Op diezelfde dag heeft de minister de voorgenomen uitzetting van verzoeker geannuleerd, omdat verzoeker een opvolgende asielaanvraag had ingediend.
2. Voor een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoeker tegemoetgekomen is. Van tegemoetkomen is geen sprake als de minister terugkomt van een geplande uitzetting wegens aan een vreemdeling toe te rekenen gewijzigde omstandigheden. Dat is in deze zaak het geval. Verzoeker heeft pas na bekendmaking van de vluchtgegevens een opvolgende asielaanvraag ingediend, en als gevolg daarvan is een dag later de vlucht geannuleerd. Daarom bestaat geen aanleiding om de minister tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3985.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Stoové
voorzieningenrechter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026
644-1102