Uitspraak 202600015/1/R1 en 202600015/2/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3228
- Datum uitspraak
- 4 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 6 februari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heiloo geweigerd een vergunning te verlenen voor het bouwen van een garage op het perceel [locatie] te Heiloo. [wederpartijen] zijn eigenaar van de hoekwoning op het perceel [locatie] te Heiloo. Zij wensen een 5 m brede en 3 m hoge garage annex schuur aan te bouwen naast de woning. Daar waar de garage beoogd is, is op dit moment een betegelde oprit aanwezig. Om de garage te kunnen realiseren hebben [wederpartijen] de helft van een naast hun perceel liggende strook grond gekocht van de gemeente. Op de overgebleven helft van de gemeente staan struiken.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Bouwen
Toon inhoud
202600015/1/R1 en 202600015/2/R1.
Datum uitspraak: 4 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Heiloo,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 november 2025 in zaak nr. 24/7007 in het geding tussen:
het college
en
[wederpartij A] en [wederpartij B].
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2024 heeft het college geweigerd een vergunning te verlenen voor het bouwen van een garage op het perceel [locatie] te Heiloo.
Bij besluit van 17 september 2024 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 november 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 september 2024 vernietigd en opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft het college verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 april 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. Z. Louwe en mr. A.D.P. Guarracino, en [wederpartijen], bijgestaan door mr. K. Hollenberg, advocaat in Alkmaar, zijn verschenen.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 17 september 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
3. [wederpartijen] zijn eigenaar van de hoekwoning op het perceel [locatie] te Heiloo. Zij wensen een 5 m brede en 3 m hoge garage annex schuur aan te bouwen naast de woning. Daar waar de garage beoogd is, is op dit moment een betegelde oprit aanwezig. Om de garage te kunnen realiseren hebben [wederpartijen] de helft van een naast hun perceel liggende strook grond gekocht van de gemeente. Op de overgebleven helft van de gemeente staan struiken.
4. De strook grond waarvan [wederpartijen] eigenaar zijn geworden, heeft een verkeersbestemming. Bebouwing is daar op grond van het bestemmingsplan uitgesloten. Het college heeft getoetst aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 4, aanhef en onder I, van bijlage 11 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Volgens het college zorgt een garage van 5 m breed ervoor dat het straatbeeld onevenredig nadelig wordt verstoord en wordt de groenstrook naast de woning dusdanig beperkt dat dit het karakter van de wijk nadelig beïnvloedt. Een garage van maximaal 4 meter breed acht het college nog wel aanvaardbaar.
5. De rechtbank heeft overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daartoe heeft zij overwogen dat [wederpartijen] als eigenaren van de strook grond, die een verkeerbestemming heeft, die grond kunnen betegelen, er mogen parkeren en er bepaalde vergunningvrije bouwwerken kunnen oprichten, zoals een erfafscheiding. Verder heeft de rechtbank van belang geacht, dat de grond aan de andere kant van de strook eigendom van de gemeente is, zodat de gemeente de aanwezigheid van groen op die grond kan handhaven.
6. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
7. Het college heeft gesteld dat aan het belang van het behoud van de openheid in de omgeving een groter gewicht toekomt dan aan het belang van [wederpartijen] om een garage van vijf meter breed te bouwen. Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank, gelet op de beleidsruimte van het college, ten onrechte tot de conclusie gekomen dat het college geen groter gewicht heeft mogen toekennen aan het belang bij het behoud van de openheid in de omgeving. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat aan het belang van [wederpartijen] voldoende tegemoet wordt gekomen met een garage van maximaal 4 m breed, en dat een nog bredere garage ter plaatse ruimtelijk niet aanvaardbaar is. Hierbij betrekt de Afdeling dat het betegelen van de strook grond, en het daar parkeren van auto’s of het daar realiseren van vergunningvrije bouwwerken, zoals de door de rechtbank genoemde erfafscheiding, een andere ruimtelijke uitstraling hebben dan het realiseren van een 5 m brede en 3 m hoge garage.
Conclusie hoger beroep
8. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De voorzieningenrechter beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Beroepsgrond
Gelijke gevallen
9. [wederpartijen] hebben betoogd dat op drie adressen in de omgeving, namelijk aan de Zeekamplaan, de Werkendelslaan en de Sandecamplaan, zich vergelijkbare situaties voordoen. Garages zijn bij de hoekwoningen op die adressen wel toegestaan.
9.1. Het college heeft gesteld dat de situaties niet identiek zijn aan de nu voorliggende situatie. Op het perceel aan de Zeekamplaan was al verharding en een carport aanwezig voor de garage daar werd gebouwd. Bij de Werkendelslaan was geen strijd met de planologische regels. Op het perceel van de Sandecamplaan was ook al voorzien in een bouwvlak dat de garage mogelijk maakte.
9.2. [wederpartijen] hebben het voorgaande niet overtuigend bestreden. De voorzieningenrechter ziet daarom geen grond voor het oordeel dat zich gelijke gevallen voordoen en dat het college daarin aanleiding had moeten zien de vergunning te verlenen. Het betoog slaagt niet.
Conclusie beroep
10. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de voorzieningenrechter het beroep van [wederpartijen] tegen het besluit van 17 september 2024 alsnog ongegrond. Dat betekent dat de weigering om de omgevingsvergunning te verlenen in stand blijft.
Conclusie verzoek om voorlopige voorziening
11. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
Proceskosten
12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 november 2025 in zaak nr. 24/7007;
III. verklaart het door [wederpartij A] en [wederpartij B] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 17 september 2024, kenmerk D2024-00029050 ongegrond;
IV. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
V. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan het college van burgemeester en wethouders van Heiloo het door hem betaalde griffierecht van € 596,00 voor de behandeling van het verzoek terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.
w.g. Besselink
voorzieningenrechter
w.g. Van Helvoort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026
361