Uitspraak 202305181/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3157
- Datum uitspraak
- 2 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202305181/1/V1.
Datum uitspraak: 2 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 18 juli 2023 in zaak nr. NL23.18669 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 18 juli 2023 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 28 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van appellant afgewezen.
Appellant heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvraag van appellant om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag). Dat heeft de minister op 28 november 2023 wel gedaan. Daarmee is het doel van deze procedure bereikt. Appellant heeft geen belang bij de beoordeling van zijn hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
Verzoek om een proceskostenveroordeling
3. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden mocht verlengen. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, Zimir, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling heeft op 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749, einduitspraak gedaan, waarin zij tot de conclusie is gekomen dat WBV 2022/22 onverbindend is.
4. De asielaanvraag van appellant valt onder het toepassingsbereik van WBV 2022/22. Aangezien WBV 2022/22 onverbindend is, had de minister zes maanden de tijd om een besluit te nemen op de asielaanvraag van appellant. De minister heeft eerst op 28 november 2023 een besluit genomen. De minister is inmiddels aan appellant tegemoetgekomen aangezien hij hangende de procedure tegen het uitblijven van een besluit op zijn asielaanvraag alsnog een besluit heeft genomen. De Afdeling ziet aanleiding om de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant te veroordelen. De minister moet de in verband met het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het beroep en het hoger beroep gaan uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Besluit van 28 november 2023
5. Het besluit van 28 november 2023 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Bij dat besluit heeft de minister de asielaanvraag van appellant afgewezen. Appellant heeft in het nadere stuk van 19 december 2023 meegedeeld dat hij tegen dat besluit bij de rechtbank beroep heeft ingesteld.
6. De Afdeling ziet aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 28 november 2023, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. verwijst het beroep tegen het besluit van 28 november 2023, V-[…], naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Wilde
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026
598